Het college stelt zich tot doel om met de ondersteuning van gedupeerden daar waar mogelijk een nieuwe start te faciliteren.
De ondersteuning van het college is aanvullend op de eigen inzet van het gezin en het sociale netwerk.
De brede ondersteuning zoals omschreven in het plan van aanpak is gericht op het faciliteren van het kunnen maken van een nieuwe start (voor zover mogelijk) of de juiste richting hiertoe te vinden op de vijf leefgebieden genoemd onder a tot en met e. De daarbij omschreven doelstellingen op de leefgebieden bieden een beschrijving van de situatie die de betrokkene naar het oordeel van het college in staat stelt om een nieuwe start te kunnen maken voor zover haalbaar op individueel niveau van rechthebbende. De doelstellingen hebben betrekking op de volgende leefgebieden;
financiën: de doelstelling ten aanzien van financiën is om in staat te kunnen zijn een financiële gezond huishouden te kunnen voeren;
gezin: de doelstelling ten aanzien van gezin betreft het kunnen samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarbinnen kinderen zich kunnen ontwikkelen;
werk: de doelstelling ten aanzien van werk is het duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces met minimaal de beschikking over een startkwalificatie.
wonen: de doelstelling ten aanzien van wonen betreft een veilige en betaalbare plek om te wonen;
zorg: de doelstelling ten aanzien van zorg is het welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid;
Middelen worden alleen ingezet als dit nodig is voor én langdurig bijdraagt aan het gestelde doel. De middelen die nodig zijn om het gestelde doel te bereiken worden binnen een half jaar na het eerste gesprek ingezet en maken onderdeel uit van het plan van aanpak.
Het college kan bij een eventuele verstrekking met de financiële draagkracht van de rechthebbende rekening houden.
Om de noodzaak van maatwerk te kunnen beoordelen kan het college inzicht vragen in de financiële situatie van de inwoner. Dit is met name bedoeld om te kunnen achterhalen of de geboden maatwerkvoorziening een duurzame oplossing is.
Het college verleent geen compensatie voor directe of indirecte materiële en immateriële schade aan gedupeerden omdat deze taak belegd is bij de landelijke Commissie Werkelijke Schade, tenzij het een acute situatie betreft en een oordeel van de Commissie Werkelijke Schade niet kan worden afgewacht. Er dient een directe relatie te zijn met de benadeling door de wijze van uitvoering van de Kinderopvangtoeslag.
Bij een vergoeding van kosten wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing.
Eventuele periodieke kosten komen in beginsel 6 maanden voor vergoeding in aanmerking.
Waar nodig en mogelijk worden voorliggende voorzieningen ingezet binnen de gebruikelijke regelgeving en werkwijzen.
Het college hanteert bij de vergoeding van kosten de richtlijnen van het NIBUD, tenzij er gemeentelijke bepalingen over de hoogte van een verstrekking in het gemeentelijk beleid zijn opgenomen.
Als een door de ouder gewenste oplossing niet (meteen) haalbaar is, bijvoorbeeld vanwege wachtlijsten, wordt besproken welke alternatieven wel haalbaar zijn.
Bij het bepalen welke voorzieningen worden ingezet voor de betrokkene, wordt onderscheid gemaakt tussen wens en noodzaak. De inzet van voorziening(en) en/of middelen moet redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken. Wordt het doel niet bereikt als het middel of de voorziening niet wordt ingezet, dan wordt vervolgens redelijkerwijs bekeken naar de meest adequate manier om dit doel te bereiken.
Artikel 3