Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.3.2

Artikel 3.25

Voorwerpen op of aan een openbare plaats

Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving Gooise Meren

1.. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,1 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; Het college kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de redelijke eisen van welstand en het doelmatig en veilig gebruik van de weg nadere regels stellen ten aanzien van uitstallingen en reclameborden, voorwerpen ten behoeve van (bouw)werkzaamheden, alsmede ten behoeve van foto- en filmopnamen. 3.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:25 van de APV; terrassen als bedoeld in artikel 2:28 van de APV standplaatsen als bedoeld in artikel 3.46; fietsen of bromfietsen; door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening; overige gevallen waarin krachtens een wettelijk voorschrift een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 4.. Tevens is het verbod in het eerste lid niet van toepassing op (bouw)-objecten die worden geplaatst buiten de vesting Naarden en buiten de vesting Muiden voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: degene die voornemens is een bouwplaats in te richten, doet daarvan uiterlijk 5 werkdagen van tevoren een melding aan het college; er geen sprake is van een bouwplaats inrichting als bedoeld in de uitvoeringsregel: ‘Nadere uitvoeringsregels ten aanzien van bouwobjecten’ die deel uitmaakt van deze verordening. de plaatsing van het object niet langer duurt dan twaalf weken gerekend vanaf de datum van melding aan het college. Er wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in de uitvoeringsregel: ‘Nadere uitvoeringsregels ten aanzien van bouwobjecten’ die deel uitmaakt van deze verordening. Het (bouw)-object dient te passen binnen een parkeervak (lengte 4.50 m x 2.40 m). 5.. Tevens is het verbod in het eerste lid niet van toepassing op het plaatsen van een oplaadpaal mits de oplaadpaal op verzoek van het college wordt geplaatst. 6.. Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het vierde lid. 7.. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 8.. Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het derde lid. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel