De opsporing van de in deze verordening strafbaar gestelde feiten is, naast
de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en wethouders
met de zorg voor de naleving zijn belast, ieder voor zover het de feiten
betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.