Een integraal gebiedsplan zoals bedoeld in artikel 2.6.1 van de Verordening bestaat uit minimaal één van de volgende activiteiten:
productieve investeringen als bedoeld in artikel 2.2.2 van de Verordening;
niet productieve investeringen landbouw als bedoeld in artikel 2.3.1 van de Verordening;
niet productieve investeringen niet landbouw als bedoeld in artikel 2.4.1 van de Verordening;
bijeenkomsten voor kennisoverdracht als bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid, onder a van de Verordening;
voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling;
ontwikkelen of beproeven van innovaties als bedoeld in artikel 2.5.2 van de Verordening dienend aan de doelen van het gebiedsplan, of
draagvlakontwikkeling of samenwerkingsactiviteiten.