Naar hoofdinhoud
1.. De subsidie bedraagt voor de in artikel 5 onder a genoemde activiteit voor een peuter waarvan de ouder geen recht heeft op kinderopvangtoeslag: het verschil tussen het door de kinderopvangorganisatie gehanteerde uurtarief tot maximaal het wettelijk maximum uurtarief kinderdagopvang en de inkomensafhankelijke ouderbijdrage over: maximaal 320 uur bij dagdelen van 4 uur; of maximaal 260 uur bij dagdelen van 3,25 uur. 2.. De subsidie bedraagt voor de in artikel 5 onder b genoemde activiteit: een vast bedrag per volledig bezette jaarplaats dat jaarlijks uiterlijk 1 juni voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft wordt bekendgemaakt; en voor een doelgroeppeuter waarvan de ouder recht heeft op kinderopvangtoeslag: voor de eerste 320 uren: € 0; het door de kinderopvangorganisatie gehanteerde uurtarief tot maximaal het wettelijk maximum uurtarief kinderdagopvang over de volgende: maximaal 320 uren bij dagdelen van 4 uren; of maximaal 330 uren bij dagdelen van 3,25 uren; en voor een doelgroeppeuter waarvan de ouder geen recht heeft op kinderopvangtoeslag: voor de eerste 320 uren: het verschil tussen het door de kinderopvangorganisatie gehanteerde uurtarief tot maximaal het wettelijk maximum uurtarief kinderdagopvang en de inkomensafhankelijk ouderbijdrage; en het door de kinderopvangorganisatie gehanteerde uurtarief tot maximaal het wettelijk maximum uurtarief kinderdagopvang over de volgende: maximaal 320 uren bij dagdelen van 4 uren; of maximaal 330 uren bij dagdelen van 3,25 uren. 3. . Het college kan voor een kalenderjaar bepalen dat de in het vorige lid onder b en c genoemde subsidie, voor zover gebaseerd op het wettelijk maximum uurtarief, wordt verhoogd met een door het college vast te stellen bedrag per uur. 4. . In aanvulling op de voorgaande leden kan het college voor een kalenderjaar bepalen dat voor bepaalde doelgroepen subsidie wordt verstrekt voor de inkomensafhankelijke bijdrage.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel