Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 3.2

Vervoer

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp gemeente Leusden 2025

1.. Uitgangspunt is dat ouder(s) in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het (regelen van) vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het college beoordeelt deze eigen verantwoordelijkheid zoals beschreven in de artikelen 4.3 en 4.5 van deze verordening. 2.. Een vervoersvoorziening wordt – voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid – alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.. Van een medische noodzaak is sprake wanneer de jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om gebruik te maken van het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding. 4.. Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer: er voldoende is aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat zijn om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer; er sprake is van ernstige gedragsproblematiek die het reizen onmogelijk maakt of andere redenen van niet-medische aard die het zelfstandig of onder begeleiding reizen onmogelijk maken. 5.. Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: Ouders kunnen hun kind niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege werkverplichtingen; Ouders hebben gekozen voor verder weg gelegen aanbod, terwijl een vergelijkbaar aanbod dichterbij huis beschikbaar is; De jeugdige is in staat om zelfstandig per fiets of met het openbaar vervoer te reizen; Ouders geven aan onvoldoende financiële middelen te hebben voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend; Ouders komen op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking voor een vergoeding van de vervoerskosten; Ouders hebben een aangepast vervoersmiddel voor de jeugdige ontvangen op grond van o.a. de Wmo of de verordening leerlingenvervoer. 6.. Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een voorziening waarvoor wel vervoer toegekend moet worden. Het wijkteam legt de noodzaak tot inzet van de vervoersvoorziening vast in het plan van aanpak. 7.. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van vervoer en de uitwerking daarvan.

Rechtspraak bij dit artikel