Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 3.

Onderscheid tussen de “normale Bopa” en de “kleine Bopa”

Onderdeel van Beleidsregel kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Goirle

3.1. De wijze waarop het college de motivatie bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit beoordeelt, is aan het college zelf om in te vullen. 3.2. Bij de beoordeling van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit maakt het college – in aanvulling op de wettelijk bepalingen – een onderscheid in: De normale buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarbij sprake: is van een uitgebreide motivatie van de aanvraag die ingaat op meerdere aspecten van de fysieke leefomgeving; is van een noodzaak tot een integrale beoordeling van (alle) aspecten van de fysieke leefomgeving, en/of is van een verplicht bindend advies van de gemeenteraad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals opgenomen in het geldende Aanwijzingsbesluit bindend advies buitenplanse omgevingsplanactiviteiten van de gemeente Goirle. De “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit”, waarbij: sprake is van een geringe impact op de fysieke leefomgeving; de belangen van derden niet of minimaal geschaad (kunnen) worden; een beperkte motivatie van de aanvraag gericht op de van het omgevingsplan afwijkende onderdelen kan volstaan; het college kan volstaan met alleen een beoordeling van de afwijkende activiteit en in beperkte mate andere aspecten van de leefomgeving meeweegt bij de beoordeling, en er geen sprake is van een bindend advies van de gemeenteraad voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zoals opgenomen in het geldende Aanwijzingsbesluit bindend advies buitenplanse omgevingsplanactiviteiten van de gemeente Goirle. 3.3. Als het college, overeenkomstig deze beleidsregel, oordeelt dat een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet met een “kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit” kan worden afgehandeld, dan is daarmee de toepassing van deze beleidsregel uitgesloten. 3.4. Het oordeel als bedoeld in artikel 3.3 kan in beginsel door het college al worden toegepast als de aanvraag: in beginsel al niet leidt of kan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, of evident leidt tot aantasting van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. 3.5. In het geval dat het college oordeelt dat geen toepassing aan deze beleidsregel kan worden gegeven als bedoeld in artikel 3.3 en artikel 3.4, dan zal de aanvraag met een “normale buitenplanse omgevingsplanactiviteit”, met de bijhorende motivatie(plicht) en beoordelingen, afgehandeld moeten worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel