Met het intrekken van de Woonwagenwet in 1999 is het woonwagenbeleid gedecentraliseerd. De afgelopen jaren heeft zich een aantal instanties uitgesproken over het mensenrechtelijk kader dat voor woonwagenbewoners geldt. Zo zijn er uitspraken gedaan door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, het College voor de Rechten van de Mens, de VN, de EU en er is een kritisch rapport van de Nationale Ombudsman verschenen. Zij stellen dat het beleidskader dat ontwikkeld is bij de intrekking van de Woonwagenwet niet meer voldoet.
Met name vanwege de uitspraken die zijn gedaan, is door het ministerie een nieuw beleidskader voor gemeenten opgesteld: het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid (juli 2018). Dit beleidskader is in lijn met het mensenrechtelijk kader voor de culturele identiteit van Roma, Sinti en woonwagenbewoners.
Voor gemeenten staat in dit beleidskader het volgende:
De gemeente stelt beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid.
Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven voor het woonwagenleven van woonwagenbewoners.
Hiervoor is nodig dat de behoefte aan standplaatsen helder is. Vraag en aanbod dient in balans te zijn.
Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren.
De afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen.
Een woningzoekende woonwagenbewoner die dit wenst, heeft binnen een redelijke termijn kans op een standplaats. Deze redelijke termijn wordt gerelateerd aan de wacht- en zoektijden voor een sociale huurwoning.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Landelijk beleidskader voor gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid
Onderdeel van Woonwagen- en standplaatsenbeleid Tilburg