**1..** Het college brengt in kaart welke hulp naar aard en omvang nodig is en/of die hulp verleend kan worden door middel van eigen (financiële) mogelijkheden (hierna: eigen kracht), het sociaal netwerk, een algemene voorziening of een andere voorziening. In de volgende leden worden de termen eigen kracht, sociaal netwerk, algemene voorziening en andere voorziening beschreven.
**2..** Het college gaat uit van de eigen kracht van de ouder en de jeugdige om problemen op te lossen. Ouders of andere huisgenoten dragen onderling zorg voor normale, dagelijkse hulp. Ouders zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdige(n) te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarige jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat de ouders de jeugdige zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent het college geen individuele voorziening jeugdhulp toe.
Het college maakt bij het onderzoek naar de eigen kracht gebruik van het onderscheid tussen gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp.
Met gebruikelijke hulp wordt de hulp en zorg bedoeld waarvan naar algemeen aanvaardbare maatstaven gangbaar wordt geacht dat ouders of andere huisgenoten die aan de jeugdige bieden en het college sluit daarbij aan bij de richtlijn gebruikelijke zorg uit de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024. De uitgangspunten voor gebruikelijke hulp zijn in de bijlage 2 bij deze verordening opgenomen. Als uit onderzoek blijkt dat de gebruikelijke hulp niet geboden kan worden door de ouder(s) of andere huisgenoten, kan het college een individuele voorziening toekennen. Het college beantwoordt tijdens het onderzoek de vragen die zijn opgenomen in onderdeel d van dit lid.
Met bovengebruikelijke hulp wordt bedoeld hulp en zorg die substantieel intensiever is dan wat gemiddeld gebruikelijk is bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd en die niet valt onder de gebruikelijke hulp.
Het college kent alleen een individuele voorziening toe voor hulp die zich beperkt tot het bovengebruikelijke deel van de benodigde zorg. Het college kan bovengebruikelijke hulp onder eigen kracht laten vallen, als het college de volgende vragen heeft beantwoord:
Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?
Blijft de ouder de hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de ouder daardoor niet in de problemen?
Als deze vragen positief beantwoord worden, betekent dit dat de ouder de benodigde hulp kan bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen en dan kan het college concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.
Bij overbelasting onderzoekt het college of er een verband is tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige. Als de overbelasting gerelateerd is aan factoren buiten de zorg van de jeugdige om, dient de ouder eerst een oplossing te zoeken voor de oorzaak van de overbelasting.
Onder eigen kracht valt ook het door de jeugdige en/of zijn ouder aanspreken van een afgesloten aanvullende verzekering
**3..** Sociaal netwerk: personen met wie de jeugdige regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld familieleden, huisgenoten, mantelzorgers, buren en medeleden van een vereniging. Als personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of zijn ouder kunnen bijdragen aan het verminderen of oplossen van de problematiek, wordt dit ook gezien als het aanspreken van 'eigen kracht'.
**4..** Algemene voorziening: als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft en dat de ouder en/of het sociaal netwerk hier niet (geheel) in kunnen voorzien, onderzoekt het college of de jeugdige een algemene voorziening kan gebruiken. Als er een algemene voorziening beschikbaar is, kent het college geen individuele voorziening toe.
**5..** Andere voorziening: als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft en dat de ouder en/of het sociaal netwerk hier niet (geheel) in kunnen voorzien, onderzoekt het college of de jeugdige aanspraak maakt op een andere (wettelijke) voorziening. Als er een andere voorziening beschikbaar is, kent het college geen individuele voorziening toe.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.2
Artikel 16.
Eigen kracht, sociaal netwerk, algemene voorziening en andere voorziening
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Rijssen-Holten 2025