Naar hoofdinhoud

Afdeling 1 › Hoofdstuk 1

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Spaarloonregeling

1. Het in te houden dan wel toe te kennen spaarloon zal tenminste € 10,00 per maand moeten bedragen en zal ten hoogste € 613,00 per jaar mogen belopen. Het op de speciale spaarrekening van de deelnemer te storten bedrag zal per kalenderjaar niet meer mogen bedragen dan het in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde maximum. Op de speciale spaarrekening mogen alleen stortingen worden verricht indien voldaan wordt aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964.2. Bij arbeidsongeschiktheid van de deelnemer wordt het spaarloon Ingehouden van de uitkeringen krachtens de Ziektewet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, voor zover deze uitkeringen geschieden door bemiddeling van de werkgever en op deze uitkeringen de witte tabel in het kader van de Wet op de loonbelasting van toepassing is. Indien en voorzover de evengenoemde uitkeringen niet door bemiddeling van de werkgever geschieden, wordt de inhouding opgeschort tot het tijdstip, waarop de deelnemer zijn werkzaamheden hervat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel