**1..** Provinciale Staten stellen de begroting vast en autoriseren:
de baten en lasten per programma, als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
de investeringskredieten per programma, als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
de toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma, als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen op het totaalniveau;
de kosten van overhead op totaalniveau;
het bedrag voor onvoorzien op totaalniveau.
Zoals hierboven in artikel 3 lid 1 beschreven, wordt vanaf boekjaar 2025 de begroting op programmaniveau opgesteld met als aparte bijlage nadere informatie op beleidsdoelniveau.
**2..** Provinciale Staten stellen, naast de verplicht voorgeschreven indicatoren op grond van artikel 25 lid 2a BBV, tot en met boekjaar 2024 per programma en beleidsdoel en vanaf boekjaar 2025 per programma, voor het betreffende begrotingsjaar de beoogde doelen vast, waarbij ‘wat we willen bereiken’ en ‘wat we daarvoor gaan doen’, wordt uitgedrukt in prestatie-indicatoren.
**3..** Gedeputeerde Staten dragen er bij de uitvoering van de begroting zorg voor dat de lasten van een beleidsdoel niet dusdanig overschreden worden dat de realisatie van andere beleidsdoelen binnen hetzelfde programma onder druk komt te staan. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om binnen een programma te schuiven met het budget indien:
dit de realisatie van de andere beleidsdoelen niet nadelig beïnvloedt;
de wijziging maximaal 10% van de lasten per programma bedraagt; en
niet meer dan 1% van de lasten van de primaire begroting (excl. mutatie in de reserves) bedraagt.
**4..** Gedeputeerde Staten doen en accorderen gedurende het kalenderjaar binnen één programma alleen voorstellen met neutrale budgettaire wijzigingen waarbij lasten en baten in evenwicht zijn.
**5..** Gedeputeerde Staten informeren Provinciale Staten gedurende het boekjaar als het op basis van alle beschikbare informatie verwacht dat:
de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden met meer dan 10% van het programmatotaal of groter dan 1% van de totale uitgaven van de primaire begroting (excl. dotatie aan reserves) ten opzichte van de primaire begroting per programma met een minimum van € 250.000; of
de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden met meer dan 10% van het programmatotaal of groter dan 1% van de totale baten van de primaire begroting ten opzichte van de primaire begroting per programma met een minimum van € 250.000.
de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het niveau van het totaal geautoriseerde kredietbedrag dreigen te over- dan wel onderschrijden,
**6..** In de jaarstukken worden de verschillen geanalyseerd tussen de bijgestelde begroting en de jaarcijfers (artikel 28, lid a BBV). Verschillen groter dan € 250.000 per (beleids)doel worden afzonderlijk toegelicht. De verschillenanalyse wordt weergegeven per programma.
**7..** Met de bestemmingsvoorstellen bij de jaarstukken worden de niet bestede delen van de structurele budgetten toegevoegd aan de algemene reserve. Incidentele budgetten met een minimum van € 250.000 kunnen per jaar eenmalig worden overgeheveld, als er sprake is van een reeds aangegane verplichting voor de uitvoering dan de desbetreffende activiteiten en in de begroting van het volgend jaar geen, of onvoldoende middelen beschikbaar zijn. Uiterlijk in het eerste kwartaal van het volgend boekjaar moeten deze middelen zijn uitgegeven.
HOOFDSTUK 2
Artikel 6