Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.3

Op welke manier plannen en programmeren we milieutoezicht?

Onderdeel van Regionaal operationeel kader milieutoezicht en handhaving 2025-2028

Het bestand van bedrijven en activiteiten (geclusterd in branches) en het risiconiveau vormen de basis voor het prioriteren. Deze prioritering bepaalt dan met name de intensiteit en diepgang van het toezicht. Branchetoezicht- en projectplannen geven uitvoering aan de (meerjarige) doelstellingen en de aandacht die de individuele bedrijven nodig hebben. Om een zo actueel mogelijk inrichtingenbestand te houden wordt met ingang van 2024 een doorlopend project (gevelcontroles) gestart. Verder wordt in regioverband samen met de VRBZO en leverancier Genetics vorm gegevens aan een gezamenlijk locatiedossier dat toegang biedt aan de ketenpartners en deelnemers. Voor het plannen en programmeren van milieutoezicht is een systematiek ontwikkeld, die bestaat uit 5 blokken. Blok 1 signalen, klachten en meldingen Achterblijvende naleving van wet- en regelgeving kan leiden tot klachten, meldingen, ongewone voorvallen of overige signalen. Een toezichthouder voert in dat geval een gericht onderzoek uit. In de meeste gevallen beoordeelt hij de situatie ter plekke en neemt hij, zo nodig, maatregelen die leiden tot spoedig herstel van de situatie. De benodigde inzet van mensen en middelen laat zich op voorhand niet voorspellen. De controles binnen dit blok vloeien voort uit individuele behoefte van een gemeente (maatwerk), het opvolgen van klachten en ongewone voorvallen. Daarnaast krijgen we signalen van diverse partijen (zowel in als extern). Deze signalen worden gewogen en als blijkt dat het nodig is wordt een controle uitgevoerd. Blok 2 projectmatige aanpak van bestuurlijke prioriteiten en thema’s Vanuit de probleemanalyse en inventarisatie van maatschappelijke opgaven en relevante bestuurlijke prioriteiten zijn doelstellingen voor toezicht geformuleerd. Zie tabel onder 4.1). Indien deze doelstellingen niet (enkel) kunnen worden gerealiseerd vanuit programmatisch toezicht (blok 3), dan kan worden overwogen om (over branches heen) een thema projectmatig aan te pakken. Met een gericht projectplan worden doelen en beoogde resultaten met elkaar verbonden en vertaald naar concrete toezichthoudende taken en/of interventies. Opkomende thema’s als circulariteit, energietransitie, gezondheid etc. kunnen op deze manier (meerjarig) stevig op de kaart worden gezet. Binnen dit blok wordt ook het jaarlijkse toezicht bij risicorelevante en de gemeentelijke aandachtsbedrijven gepland. Blok 3 programmatisch toezicht Programmatisch handhaven stimuleert een bredere, probleemgerichte benadering waarbij alle facetten die bij het probleem een rol spelen in het proces aan bod komen en worden voorzien van een ruim palet aan interventiemogelijkheden. Een interventie is een doelbewuste ingreep om een bepaalde zaak te verbeteren. Met andere woorden ‘hoe kunnen we gedrag van de doelgroep effectief beïnvloeden?’. Het gaat erom de interventie te kiezen die het beste aansluit op motieven van de doelgroep om regels te overtreden. De onderstaande interventiepiramide kan daarbij helpen. Het overgrote deel van de doelgroep wil het graag goed doen. Deze groep reageert beter op ondersteuning en preventieve interventies versus controles en sancties. Het toezicht op bedrijven en milieubelastende activiteiten is en blijft maatwerk. De intensiteit van het toezicht is gerelateerd aan het risico, de complexiteit en het (naleef)gedrag van de bedrijven. De uitgevoerde branchegerichte risicoanalyse vormt een belangrijk uitgangspunt voor het meerjarig programmatisch toezicht, dat wordt uitgevoerd vanuit een branchegerichte benadering. In het implementatieplan dat bij dit ROK VTH hoort, wordt gewerkt met jaarschijven zodat per jaar aangegeven kan worden welke onderwerpen in dat jaar worden opgepakt. Op brancheniveau bepaalt de ODZOB aan de hand van nadere (branche)analyses hoe de aandacht over zowel individuele als clusters van bedrijven wordt verdeeld. De koppeling tussen het risiconiveau en de inzet van toezicht komt als volgt tot stand: De ODZOB analyseert het bedrijvenbestand op basis van het risiconiveau volgens de uitkomsten van het risico-analysemodel. De ODZOB deelt de branches op basis van de risicoanalyse in naar hun zogenoemde toezichtintensiteit: hoog (risicoscore ≥ 25), gemiddeld (risicoscore < 25 en ≥ aan 20) of laag (risicoscore <20). Op brancheniveau bepaalt de ODZOB aan de hand van nadere (branche)analyses hoe de beschikbare inzet over zowel individuele als clusters van bedrijven wordt verdeeld. Hiermee moet worden voorkomen dat: individuele, risicovolle bedrijven (b.v. grootschalig, met veel klachtmeldingen of dicht bij woningen gesitueerd), die zijn ingedeeld in een branche met een gemiddelde of lage toezichtintensiteit, onvoldoende toezicht ontvangen; geen blinde vlekken ontstaan van bedrijven die (onterecht) aan de aandacht van de ODZOB ontsnappen. Met deelnemers wordt gekeken of we een methode kunnen ontwikkelen om zicht te krijgen op bedrijven die niet regelmatig bezocht worden teneinde de risico’s voor de fysieke leefomgeving in beeld te kunnen krijgen. De ODZOB stelt op basis van de beschikbare middelen en de benoemde uitgangspunten (binnen blok 3) een “meer jaren branchetoezichtprogramma” op. Deze ‘aanpak op maat’ kent dus meerdere toezichtintensiteiten voor branches en bedrijven met daarbinnen verschillende differentiatiemogelijkheden. Per branche/bedrijf vindt een afweging plaats om te komen tot een juiste mix van de beschikbare instrumenten en vormen van interventie. Ter ondersteuning daarvan gebruiken we o.a. het zogenaamde Interventiekompas, ontwikkeld door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Hierbij is het wel van belang dat er vooraf steeds een duidelijke probleemanalyse plaatsvindt. Blok 4 In dit blok worden de aan de uitvoering van het ROK gerelateerde werkzaamheden (coördinatie, projectleiding, monitoring, programmering etc.) geborgd. Blok 5 Binnen toezicht wordt onderscheid gemaakt tussen toezicht en handhaving. Handhaving omvat dwang door handhavers en of boa’s om af te dwingen dat mensen zich (alsnog) aan wetten en regels houden of onderzoek doen naar klachten of incidenten. Het (repressieve) handhavingsproces begint als de inzet van (preventief) toezicht niet heeft geleid tot de gewenste naleving van wet- en regelgeving. De naleving kan met behulp van bestuursrechtelijke dwangmiddelen (b.v. last onder dwangsom, bestuursdwang) alsnog worden afgedwongen in de lijn van de landelijke handhaving strategie omgevingsrecht (LHSO). Tegelijkertijd kan er sprake zijn van een strafbaar feit op basis van de Wet op de economische delicten (WED) en volgt een strafrechtelijk (voor)onderzoek. Dit laatste wordt onder regie van het Functioneel Parket (FP) uitgevoerd door de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) van de ODZOB. In de meer complexe gevallen wordt afgestemd en samengewerkt met de milieurecherche van de politie en/of de Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T). Denk hierbij aan zaken met meerdere verdachten, de noodzaak voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen of als de geschatte tijdbesteding van de boa simpelweg niet meer als proportioneel wordt gezien. In dit blok worden de middelen en capaciteit geborgd voor de noodzakelijke handhavingstrajecten en de bijdrage die wordt geleverd aan de aanpak van milieucriminaliteit. Het gaat daarbij om de bestuursrechtelijke inzet van juristen en handhavers en de strafrechtelijke inzet en opsporingscapaciteit van boa’s.

Rechtspraak bij dit artikel