Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.2

Bepalingen ten aanzien van de engineering/werkvoorbereiding

Onderdeel van Handboek kabels en leidingen gemeente Vijfheerenlanden 2025

1.. De aanvrager is verplicht om in zijn werkvoorbereiding te inventariseren welke netbeheerders belangen hebben in het beoogde tracé, deze te informeren over de voorgenomen (graaf)werkzaamheden en gegevens over de aard en ligging van die belangen op te vragen. In ieder geval zal er een oriëntatiemelding moeten worden gedaan bij het Kadaster, sectie KLIC. 2.. De aanvrager moet zich overtuigen van de plaats van alle reeds in het werk gelegen kabels en leidingen. Hiertoe moet in het beoogde tracé proefsleuven worden gegraven. De locaties voor de proefsleuven dienen samen met de GTKL bepaald te worden. 3.. Van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels en leidingen houdt aanvrager een actuele registratie bij die op eerste aanzeggen aan de GCKL wordt overhandigd. Indien afwijkingen van het vigerende standaard dwarsprofiel, dan wel het door gemeente aangewezen standaard tracé, worden geconstateerd zal de GTKL in overleg met aanvrager een nieuw beoogd tracé aanwijzen. 4.. De aanvrager is bij het maken van proefsleuven gehouden de Telecommunicatieverordening gemeente Vijfheerenlanden, het Omgevingsplan gemeente Vijfheerenlanden, het HKL en WIBON bepalingen stipt na te leven. 5.. Kabels en leidingen van de netbeheerder die, door het graaftoestemming plichtige werk, blijvend buiten gebruik worden gesteld, dan wel kabels en leidingen die de afgelopen 10 jaar geen dienst hebben gedaan/niet in gebruik zijn genomen, moeten in het vergunde werk worden verwijderd als zij in de te ontgraven sleuf liggen. De van toepassing zijnde wettelijke overgangsregelingen zullen hierbij worden gerespecteerd. 6.. Bij de aanleg van stadsverwarmingsleidingen worden zo nodig bestaande kruisende leidingen in diepte aangepast, aangezien in stadsverwarmingsleidingen geen of zeer moeilijk zinkers kunnen worden toegepast en deze leidingen dus bij voorkeur op één diepteniveau moeten worden gelegd. 7.. Indien kabels en leidingen onder een overbouwing worden gesitueerd, dan moet de afstand van de onderkant van de overbouwing tot het ter plaatse vastgestelde maaiveldpeil minimaal 2,50 meter bedragen. Dit in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch en/of ander materieel. 8.. Koppelbalken van funderingen mogen alleen worden gekruist als de afstand tussen de bovenkant van de koppelbalken en het maaiveld tenminste 2,00 meter bedraagt en de te overbruggen ruimte tussen de koppelbalken is voorzien van een gewapende betonplaat waarboven de leidingen een veilige ligging verkrijgen. 9.. Indien leidingen boven een onderbouwing worden gesitueerd, dan moet de diepte van de bovenkant van de onderbouwing ten opzichte van het ter plaatse vastgestelde maaiveld tenminste 2,00 meter bedragen. Dit in verband met benodigde gronddekking voor leidingen. 10.. Tijdelijk aan te brengen voorzieningen in de openbare ruimte moeten de goedkeuring hebben van de beheerder van de openbare ruimte. Deze tijdelijke voorzieningen, waaronder damwanden en heipalen, moeten na voltooiing van de (graaf)werkzaamheden worden verwijderd. Mocht dit om welke reden dan ook niet mogelijk zijn, dan kan door de beheerder van de openbare ruimte besloten worden deze voorzieningen tot een nader te bepalen maat onder het maaiveld te verwijderen. In de regel is deze maat minimaal 2,50 meter. 11.. Bij het plannen van routes van kabels, leidingen en voorzieningen nabij bomen en in of nabij groenvoorzieningen, moeten de bepalingen uit hoofdstuk 11 van dit handboek strikt in acht worden genomen. 12.. Er worden geen obstakels boven leidingen geplaatst. Indien geen andere oplossing mogelijk is, dan kan in overleg met de betreffende netbeheerder(s) onder voorwaarden en/of voorzieningen alsnog tot plaatsing boven leidingen worden overgegaan. 13.. (Huis)aansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op distributieleidingen aangelegd om geen beslag te leggen op de ruimte voor distributieleidingen. 14.. Er kan sprake zijn van voorbereide (huis)aansluitingen, waarbij de voor de (huis)aansluitingen bedoelde buis, kabel of leiding al op de volledig benodigde lengte vanaf de hoofdleiding tot aan de klantaansluiting in de openbare grond tijdelijk moet worden opgeborgen (voornamelijk bij CAI-, FTTH- en datanetten). In die gevallen moet deze voorbereiding zo strak mogelijk opgerold en gebundeld, evenwijdig aan de erfgrens en op de profieldiepte worden weggezet tegen de erfgrens van het perceel waar de voorziening voor bedoeld is. Het hiervoor eventueel benodigde tracé en/of de wegkruisingen moeten tegelijk met de aanleg van de hoofdsleuf worden aangebracht. 15.. Industrie uitritten dienen sleufloos uitgevoerd te worden. 16.. Bij de tracé bepaling dienen aanwezige mantelbuizen ten behoeven van het kruisen van bestaande infrastructuur benut te worden tenzij dit technisch niet mogelijk blijkt. De grondroerder dient vooraf aan de gemeente schriftelijk toestemming te vragen om (mede) gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten. Voor het gebruik van de mantelbuis zal een prijs van €25,- per strekkende meter in rekening gebracht worden.

Rechtspraak bij dit artikel