Het traject voor het plaatsen van ondergrondse inzamelcontainers bestaat volgens afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht uit een aantal fasen:
Fase 1: De gemeente stelt een ontwerplocatieplan op voor de positionering van de ondergrondse inzamelcontainers.
Fase 2: Belanghebbenden worden geïnformeerd over het ontwerplocatieplan en hebben de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.
Fase 3: Het college stelt een definitief locatieplan op en neemt een definitief aanwijzingsbesluit. Belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend kunnen in beroep gaan bij de Raad van State.
Fase 4: De containers worden geplaatst en ingebruikgenomen.
In de volgende paragraaf worden de vier fasen van de procedure nader toegelicht.2Deze procedure geldt zowel bij bestaande bouw als nieuwbouw. Bij nieuwbouwgebieden wordt deze procedure toegepast als onderdeel van het informatie- en participatietraject. Ingeval van nieuwbouw is vaak sprake van een inrichtingsplan. In de uitvoeringsfase bij de plaatsing van ondergrondse containers kan, in voorkomende gevallen, van het inrichtingsplan worden afgeweken.
Voor de plaatsing van afvalcontainers is geen omgevingsvergunning nodig.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.1
Procedure volgens afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht
Onderdeel van Richtlijnen voor het plaatsen van ondergrondse inzamelcontainers