Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Voorwaarden voor gebruik maken van proefperiode

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet “Samenwonen op proef”

Beide partners vragen gezamenlijk vooraf in de gemeente waar de bijstandsgerechtigde(n) de uitkering ontvang(en) aan of ze op proef mogen samenwonen, ook als de partner geen uitkering heeft. Wanneer er sprake is van twee partners die ieder een bijstandsuitkering ontvangen in een andere gemeente, dan bestaat het recht op de proefperiode alleen wanneer beide gemeenten hierin toestemmen; en Beide aanvragers houden hun eigen woonadres aan en blijven op dat woonadres ingeschreven staan in de BRP, en de woning beschikbaar houden voor eigen gebruik. Het is niet toegestaan de woning te (onder) verhuren. Een eventuele verhuurder (wooncorporatie) is door de aanvrager op de hoogte gesteld van het tijdelijk niet voltijds bewonen van de woonruimte en akkoord met het tijdelijk niet voltijds bewonen van de woonruimte. Het voorgaande lid is wat betreft het beschikbaar houden van de woning niet van toepassing op de aanvrager die niet beschikt over woonruimte. Indien één van de partners voor een periode van langer dan 28 dagen ten tijde van de proefperiode in een inrichting als bedoeld in artikel 1 onderdeel f van de Participatiewet verblijft, eindigt het recht op de proefperiode. Wanneer de partner niet langer meer in de inrichting verblijft, kan de proefperiode opnieuw worden aangevraagd. Bij toekenning herleeft het recht op de proefperiode voor de periode dat van de oorspronkelijk toegekende proefperiode resteert. Dit geldt ook wanneer één van beide partners langer dan 28 dagen in het buitenland verblijft of is gedetineerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel