Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 18

Inwerkingtreding

Onderdeel van Verordening Wet kinderopvang gemeente Amstelveen 2004

Door vertraging in het wetgevingstraject is de oorspronkelijke planning van het implementatietraject door gemeenten met name in 2004 onder steeds groeiende tijdsdruk komen te staan. Ten tijde van publicatie van deze modelverordening was nog niet zeker per wanneer artikel 25 van de WK in werking zou treden. Dit artikel is van belang omdat het de Juridische grondslag vormt waarop deze verordening is gebaseerd. In de oorspronkelijke planning van het wetgevings- en implementatietraject was er vanuit gegaan dat gemeenten in de eerste helft van 2004, dus vóór het zomerreces van de raad, hun verordening zouden kunnen vaststellen. De juridische basis voor deze verordening kon dan artikel 25 van de WK zijn. Tevens zouden gemeenten voldoende tijd hebben voor eventuele inspraaktrajecten (afhankelijk van de lokaal geldende inspraakverordening) voorafgaand aan vaststelling en de termijn van zes weken na vaststelling van de verordening die de Tijdelijke referendumwet vereist voor inwerkingtreding. Nu het niet zeker is of de Eerste Kamer nog vóór het zomerreces de wet zal behandelen en aannemen is er aanleiding om maatregelen te nemen om tijdige invoering van de WK mogelijk te maken. Daarbij dient een belangenafweging gemaakt te worden tussen enerzijds een zorgvuldige besluitvormingsprocedure, die burgers voldoende tijd en gelegenheid geeft om te reageren op de voorgenomen regelgeving en anderzijds het belang van de burgers en ook de gemeente om na inwerkingtreding van de verordening voldoende tijd en gelegenheid te hebben om aan de verplichtingen die de verordening hen oplegt te voldoen en gebruik te maken van de aanspraken die de verordening de burger biedt. Naar de mening van de VNG zou deze belangenafweging ertoe moeten leiden dat gemeenten de volgende drie maatregelen neemt om tijdige inwerkingtreding van de verordening te bewerkstelligen: indien de lokaal geldende inspraakverordening die mogelijkheid biedt afzien van het bieden van gelegenheid tot inspraak. Het is ook mogelijk dat in een gemeente conform de modelinspraakverordening van de VNG (artikel 2, lid 3 onder e. en f.) geen inspraak vereist is; onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet de inwerkingtreding van de verordening niet laten voorafgaan door de door die wet vereiste termijn van zes weken. Dit omdat het inwerkingtreden van de verordening geen uitstel kan leiden; in de aanhef van de verordening naast artikel 25 van de WK ook artikel 149 van de Gemeentewet als grondslag voor de verordening opnemen. Op deze wijze wordt voorkomen dat de verordening niet in werking kan treden omdat artikel 25 van de WK nog niet in werking is getreden op het moment dat de raad de verordening vaststelt. Burgers kunnen dan toch tijdig aanvragen indienen, waardoor gemeenten in staat zijn om tijdig besluiten te nemen op deze aanvragen. Het risico voor gemeenten bij deze handelwijze is beperkt, omdat de materiele normen voor de aanspraken op een tegemoetkoming in de wet kinderopvang zijn vastgelegd. Mocht de wet door de Eerste Kamer worden verworpen of de artikelen 22, 23 of 24 niet tijdig in werking treden dan kan de gemeente dergelijke aanvragen afwijzen omdat er geen recht bestaat op een tegemoetkoming. In het eerste geval zal wellicht ook intrekking van de gehele verordening aan de orde zijn. Indien artikel 25 van de WK reeds in werking is getreden op het moment dat de raad een besluit neemt over de verordening kan in principe artikel 149 van de Gemeentewet uit de aanhef worden weggelaten. Dit laatste is weer niet het geval wanneer de gemeente eigen doelgroepen in de verordening heeft gedefinieerd (zie het algemene deel van deze toelichting).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel