1. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in het plan, bedoeld in lid 3 onder a:
a. Waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een derde in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
b. Waarom hij ingeval van een maatwerkvoorziening:
- in het kader van de Wmo 2015: hij het pgb een passende vorm van ondersteuning vindt;
- in het kader van de Jeugdwet: dat hij de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend acht;
c. Hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad of personen die beschikken over een geldige SKJ-registratie;
d. Dat voldaan is aan het gestelde in artikel 9a. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken;
e. Voor zover het beschermd wonen betreft, een uiteenzetting van de kosten voor begeleiding, inclusief aanvullende specialistische begeleiding en dagbesteding;
2. Het pgb kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering van een hulpmiddel voor zover onderhoud en verzekering door het college wordt verlangd en het geen onderdeel is van het pgb.
3. Het tarief voor een pgb:
a. Is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;
b. Is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen;
c. Wordt afgestemd op de verschillende vormen van ondersteuning en de verschillende typen hulpverleners;
d. Voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt;
e. Voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, ziekte, verzekeringen en reiskosten;
f. Voor beschermd wonen omvat mede het schoonmaken van appartement of kamer en gemeenschappelijke ruimten;
g. Is een all-in tarief.
4. Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven niet doen:
a. Kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
b. Kosten voor bemiddeling;
c. Kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb;
d. Huur;
e. Eten en drinken;
f. Bijdrage in de kosten;
g. Contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal;
h. Zorg en ondersteuning die onder een andere wet vallen dan de wet op grond waarvan het pgb is verstrekt;
i. Zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorziening vallen;
j. Zorg die te kwalificeren is als een behandeling, met uitzondering van jeugdhulp;
k. Ondersteuning bij inkopen buiten EU-landen.
5. Indien de cliënt niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren.
6. Een pgb voor een hulpmiddel dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.
7. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. Het college besluit jaarlijks over indexering van de verschillende bedragen, genoemd in de financiële bijlage.
8. De cliënt mag een deel van het toegekende budget inzetten als verantwoordingsvrij bedrag en/of feestdagenuitkering voor de zorgverlener. Indien cliënt besluit een deel van het toegekende budget in te zetten als verantwoordingsvrij bedrag of feestdagenuitkering voor de zorgverlener, kan cliënt hiervoor geen ophoging van het budget toegekend krijgen. Uitgaven ten behoeve van een verantwoordingsvrij bedrag of feestdagenuitkering voor een zorgverlener gaan van het reeds toegekende budget af.
9. Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als:
a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;
b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden;
c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking;
d. Er sprake is van opvang. Bij opvang kan er geen sprake zijn van een stabiele situatie, waardoor het persoonsgebonden budget niet wenselijk is.
Hoofdstuk 3
Artikel 12.
Regels voor pgb algemeen
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025