Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 40.

Inwerkingtreding en citeertitel

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025

1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2025 onder gelijktijdige intrekking van de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2024. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025. 3. Bij deze verordening horen de volgende bijlagen: - Toelichting - Bijlage 1. Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp - Bijlage 2. Financiële bijlage - Bijlage 3. Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers - Bijlage 4. Protocol gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 4 februari 2025; De Griffier, Esther Jonkman De voorzitter Daphne Bergman Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. De Wmo 2015 en de Jeugdwet maken deel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met de Wmo al was ingezet. Bekeken wordt wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Voor het werkproces voor de beoordeling van de behoefte aan jeugdhulp is aansluiting gezocht bij dat uit de Wmo 2015. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. In de Jeugdwet is een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten, op een wijze zoals eerder is gebeurd in de Wmo. Het doel van het jeugdhulpstelsel blijft echter overeind: jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden. Vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en (niet vrij-toegankelijke) maatwerkvoorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan wordt eerst gekeken of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige dat in het verslag op. Vervolgens kunnen de jeugdige of zijn ouders een aanvraag indienen bij het college. Het college neemt een besluit en verwijst de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Deze verordening ziet met name op de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder(s) precies nodig heeft (hebben). Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders (zorg in natura) die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken gaan verder ook in op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, wordt geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ plaatsvindt, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij of krachtens verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is. Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist, regelt deze verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 2, vijfde lid). Artikelen 10 en verder zijn bij deze toeleiding van overeenkomstige toepassing. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig Thuis Ten slotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang, beschermd wonen of jeugdhulp ten onrechte wordt onthouden, kan cliënt daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel bij de rechter in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van cliënt op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, ofwel in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. De toelichting bij artikel 2.11, eerste lid van de Jeugdwet spreekt ook van mandaat aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: - op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; - op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; - welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; - ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; - op welke wijze ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; - op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en - op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers en pleegouders van cliënten in de gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: • bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; • de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot; bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd; • bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent; • bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht; • bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: • over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen; • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening; • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; • over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; • over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 van de Jeugdwet bieden verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015, en de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van ingezetenen en de gemeente. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vastgelegd. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen Niet iedere bepaling behoeft toelichting, vandaar een beperkte toelichting op enkele begrippen genoemd in het tweede lid. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: c. algemeen gebruikelijke voorziening: Het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: • Is de voorziening gewoon te koop? • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? • Is de voorziening financieel draagbaar voor iemand met een inkomen op minimumniveau? Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen worden genoemd in de Beleidsregels Wmo en Jeugd Gemeente Beuningen (hierna: beleidsregels). q. gebruikelijke hulp: Gebruikelijke hulp is gedefinieerd in de Wmo 2015. Het idee achter het begrip is dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als de bewuste ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. Er is geen reden waarom deze logica niet ook zou opgaan voor jeugdhulp. Omdat het begrip in de Jeugdwet niet voorkomt, is het in deze verordening opgenomen. r. gesprek: Het gesprek is het contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg (Wmo 2015) of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn beperkingen of hulpvraag te verminderen of weg te nemen. Hoe dit gesprek plaatsvindt en welke vragen hierin gesteld kunnen worden, wordt behandeld in de beleidsregels. s. hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp zich tot het college of de andere organisatie wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk. t. ingezetene: De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, ter verkrijging van een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit jurisprudentie bij de (oude) Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving de Basisregistratie personen (BRP) een belangrijke aanwijzing is, maar niet doorslaggevend. De definitie maakt duidelijk dat het begrip ingezetene hier wordt gebruikt in relatie tot maatschappelijke ondersteuning. De Jeugdwet kent zijn eigen woonplaatsbeginsel, welke is neergelegd in art. 1.1 van deze wet. w. melding: Een ieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb): een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan. Artikel 2. Melding hulpvraag Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, aanhef en onder a van de Jeugdwet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt al bepaald dat als bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. De opdracht aan het college in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet om “voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen indien naar zijn oordeel een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn”, betekent eveneens dat het college de melding van de behoefte aan jeugdhulp onderzoekt. Deze bepalingen uit de Wmo en Jeugdwet regelen ook dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. Het eerste lid van art. 2.3.2 Wmo 2015 bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In de praktijk zal het college de procedure betreffende melding, onderzoek en verslag laten uitvoeren door daartoe door het college aangewezen deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren op grond van de algemene regels van de Awb. In de gemeente Beuningen kan de melding worden gedaan bij het Sociaal Team Beuningen. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkenen de melding doen. In artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 is vervolgens bepaald dat een aanvraag niet eerder kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de gestelde termijn van zes weken. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per e-mail) kan worden gedaan als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. In het eerste lid van artikel 9 in de verordening is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid. In het tweede lid is de verplichte schriftelijke ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – elektronisch. Als de melding mondeling of telefonisch is gedaan, kan een soortgelijke bevestiging ook worden afgesproken. Registratie en ontvangstbevestiging van de melding is ook in het kader van de gestelde termijn van het onderzoek na een melding van belang (maximaal zes weken, art. 2.3.2 eerste lid Wmo 2015). In de Jeugdwet is niet de procedure beschreven zoals de Wmo 2015 die beschrijft. Omdat het gewenst is om hetzelfde werkproces en dezelfde termijnen voor de afhandeling van meldingen jeugdhulp te hanteren als voor de afhandeling van meldingen maatschappelijke ondersteuning, is in het derde lid de termijn van zes weken uitdrukkelijk genoemd. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 en ter uitvoering van artikel 2.6, eerste lid onder b van de Jeugdwet een uitzondering opgenomen voor spoedeisende gevallen. Het college of de andere organisatie is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g van de Jeugdwet opgenomen dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet-vrij toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de belanghebbende (Wmo), jeugdige en/of zijn ouders (Jeugdwet), tenzij het een wettelijke verwijzing naar gecontracteerde jeugdhulp betreft zoals bedoeld in lid 5. In dat geval wordt alleen een beschikking gestuurd indien de cliënt dit wenst of wanneer het college afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, zoals omschreven in lid 5. Artikel 3. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo 2015. Deze verplichting geldt ook voor cliënten die onder de Jeugdwet vallen. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de Wmo 2015 is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Het tweede lid is de uitwerking van artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze voor 2015 werkzaam was binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. Er is een regionale vertrouwenspersoon ingesteld. Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) en de Zorgbelangorganisaties voeren de functie van vertrouwenspersoon in samenwerking met elkaar uit. De Jeugdwet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit Jeugdwet) is een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015 bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Indien de melding jeugdhulp betreft, licht het college betrokkene eveneens in dat hij desgewenst gebruik kan maken van een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient als voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente of de andere organisatie al bekend zijn en, indien van toepassing, een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.2, derde lid van de Jeugdwet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 en deze verordening in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de privacybepalingen uit de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Algemene verordening gegevensbescherming in acht genomen moeten worden. In spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld bij de vrouwenopvang, is het niet altijd mogelijk een identiteitsdocument te overleggen, terwijl het college de cliënt wel opvang wil bieden. Voor dit soort gevallen geldt een uitzondering op de identificatieplicht. Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek als dat een onnodige herhaling van zetten betekent. In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 de verplichting voor het college of de andere organisatie opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college of de andere organisatie te overhandigen. De Jeugdwet kent deze verplichting niet, maar in de verordening wordt ook voor de cliënt die een melding jeugdhulp doet een vergelijkbare mogelijkheid geboden. Zie ook artikel 5, tweede lid. Artikel 5. Gesprek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepalingen van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. In artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a Wmo 2015 is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. In artikel 2.9 van de Jeugdwet is onder meer bepaald dat de gemeente regels stelt over de door het college te verlenen voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening (die in deze verordening maatwerkvoorziening wordt genoemd). De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. Het wordt aan de professionele inschatting van de medewerker van het college of de andere organisatie om te betrekken bij het gesprek wie hij nodig acht. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met de cliënt. De vorm van het onderzoek is vrij. In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Als woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In het eerste lid, onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van de hulpvraag’ opgenomen. Dit is belangrijk, omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie.” In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de Wmo 2015 verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Nu de gemeente een vergelijkbare beschrijving ook voor jeugdhulpvragen heeft opgenomen in artikel 4, vierde lid, dient zij of de andere organisatie een ingediende beschrijving ook bij het onderzoek te betrekken. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vijfde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente of de andere organisatie en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 6. Verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de Wmo 2015 opgenomen. Voor jeugdhulp is aansluiting gezocht bij de praktijk van de Wmo 2015. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo 2015. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Het college kan de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Als een schriftelijke beschrijving zoals bedoeld in artikel 4, vierde lid, is overhandigd, wordt zij ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Artikel 7. Aanvraag Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015). Voor aanvragen betreffende jeugdhulp is aansluiting gezocht bij de termijn uit de Wmo 2015. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In de gemeente Beuningen kan een aanvraag naast elektronisch echter ook mondeling worden gedaan. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. Het college heeft de bevoegdheid om een ondertekend verslag aan te merken als aanvraag. Reden om in het individuele geval het verslag niet aan te merken als aanvraag kan zijn het tijdsverloop tussen de datum van opmaken van het verslag en de aanvraagdatum. Het college kan het dan aannemelijk achten dat door het tijdsverloop het verslag niet meer (volledig) van toepassing is op de actuele situatie van de cliënt, de jeugdige of zijn ouders. Artikel 8. Criteria voor maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling in de Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134 en ) en in de memorie van toelichting bij de Jeugdwet (TK 2012/2013, 33684, nr. 3, blz. 3 en 7) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Ook de Jeugdwet gaat uit van de maatwerkgedachte. Gemeentelijke vrijheid is nodig, omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. In het vierde lid wordt ingegaan op de situatie waar een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Deze bepaling ziet op materiële Wmo-voorzieningen. In het vijfde lid worden redenen benoemd waarmee geen recht op een maatwerkvoorziening met betrekking tot respijtzorg bestaat. Dit lid komt voort uit een wettelijke bepaling in de Jeugdwet en is ter verduidelijking ook opgenomen in de verordening. In de praktijk geeft dit lid verwijzers duidelijkheid of respijtzorg passend is voor de aanvrager. Hierbij wordt eerst gekeken of de benodigde hulp niet uit een andere voorliggende wet verkregen kan worden. Daarnaast roept het artikellid op tot zorgvuldig onderzoek naar mogelijkheden van versterking van de eigen kracht van het gezin. Artikel 8a Eigen kracht in de jeugdwet en 8b Draagkracht en draaglast in de Jeugdwet Door de toevoeging van artikel 8a en 8b zijn de termen eigen kracht, draagkracht en draaglast beter omschreven. Hierdoor wordt het makkelijker om af te bakenen wanneer positief of negatief op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt besloten en is ook geduid wanneer men spreekt van een kortdurende of langdurige situatie. Met de toevoeging van artikel 8a en 8b wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.9 onder a Jeugdwet en gevolg gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024. Voor de rechtszekerheid en ter voorkoming van willekeur moet de gemeenteraad in de Verordening regels stellen over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden van een individuele voorziening en de wijze van beoordeling en afwegingsfactoren daarbij. De gemeente moet dus ook in de Verordening duidelijk regelen wanneer sprake is van 'eigen kracht'. Artikel 9. Afwijzingsgronden In jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er met succes een beroep op worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Ook in het kader van rechtszekerheid is dit van belang. Bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de Wmo 2015 en van artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet. Het eerste lid onder a: deze bepaling ziet alleen op maatschappelijke ondersteuning, omdat de Wmo 2015 niet een bepaling kent zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de oude Wmo en zoals die is opgenomen in artikel 1.2 van de Jeugdwet. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Het eerste lid onder b: dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in artikel 2.3.5 lid 3 en 4 van de Wmo 2015, artikel 2.3 van de Jeugdwet en in deze verordening centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Het eerste lid onder c: een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek aanspraak bestaat op een andere voorziening, hoeft, met inachtneming van de uitzonderingen genoemd in artikel 1.2 van de Jeugdwet, geen maatwerkvoorziening te worden verstrekt. Het eerste lid onder d: het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: • Is de voorziening gewoon te koop? • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? • Is de voorziening financieel draagbaar voor iemand met een inkomen op minimumniveau? Het eerste lid onder f: hier wordt de situatie bedoeld dat de cliënt na de melding en voor de beschikking een maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd of aangekocht. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het eerste lid onder g: binnen de gekantelde aanpak wordt een sterker beroep gedaan op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende. Cliënt wordt wat betreft de bevordering van zelfredzaamheid en participatie geacht eerst eigen oplossingen en oplossingen vanuit zijn netwerk in te zetten. Eventuele ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk. Bij het compenseren van beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt in zijn maatschappelijke participatie wordt dus rekening gehouden met de keuzes die de cliënt maakt in het leven, waarbij verwacht mag worden dat een ondersteuningsvrager geschikte keuzes maakt rekening houdend met de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden van de cliënt. Onder ‘geschikte keuzes’ wordt verstaan dat cliënt keuzes maakt die de zelfredzaamheid en participatie bevorderen en niet doen afnemen. Deze afwijzingsgrond kan niet in het geval van jeugdhulp worden gebruikt. Het eerste lid onder i: het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. Het eerste lid onder l: het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt voorafgaand aan de melding een oplossing heeft gerealiseerd waarmee de beperking is opgeheven en daarmee de noodzaak tot compensatie is vervallen. Het gaat hier om situaties waarin de cliënt zelf een oplossing voor een probleem heeft gevonden en pas daarna een melding doet bij het college. Of de noodzaak voor de maatwerkvoorziening nog vastgesteld kan worden, doet hier niet terzake. Het tweede lid onder c en d: deze afwijzingsgronden kunnen naast elkaar bestaan. De eerste afwijzingsgrond is ruimer en ontslaat het college niet van de compensatieplicht. Als de afwijzingsgrond onder d valt dan komt het college niet meer aan c toe, maar is hiermee de afwijzing rond. Het vierde lid onder a: hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld vertonen van geweld en agressief gedrag. Het vierde lid onder d: hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ernstige verslaving of acute psychische problematiek, waarvoor behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk is. Artikel 9a. Wonen en zorg Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 van de Wmo 2015 en artikel 2.9 sub d van de Jeugdwet worden in de verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Een van deze regels is dat gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten niet worden geaccepteerd. De gemeente of de cliënt moeten de aanbieder of de derde kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning, zonder te moeten vrezen voor verlies van de huisvesting van de cliënt. Ook moet het de cliënt vrij blijven staan te wisselen van aanbieder dan wel derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Dit ook gelet op mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Het contractueel samenbrengen van ondersteuning en huisvesting vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning en bemoeilijkt adequate handhaving. De aanbieder dan wel derde aan wie het pgb zal worden besteed, hebben dubbele financiële belangen die als oneigenlijk gebruik van de wet moeten worden aangemerkt. Het belang van de cliënt dient altijd voorop te staan, ongeacht de leveringsvorm van de ondersteuning. Artikel 10. Inhoud beschikking Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. De mogelijkheid van het toekennen van een pgb bestaat als de cliënt dit wenst, voldoet aan de criteria en in het kader van een voorziening in de zin van de Jeugdwet kan motiveren waarom een voorziening in natura niet passend is. Het tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 5, eerste lid, onder b. Voor jeugdhulp is het resultaat bijvoorbeeld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Het tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Bij het tweede lid, onder c, geldt dat als het college een voorziening beschermd wonen in natura verstrekt, de gecontracteerde aanbieder vervolgens gedurende de verstrekking de individuele begeleiding en mogelijk dagbesteding verstrekt waar de cliënt volgens het herstelplan, opgesteld door cliënt en gecontracteerde aanbieder, behoefte aan heeft. Gedurende de looptijd van de verstrekking kan de gecontracteerde aanbieder, samen met de cliënt, bepalen dat de mate van individuele begeleiding en dagbesteding wordt op- of afgeschaald binnen de categorieën, als de behoefte van de cliënt hiertoe aanleiding geeft c.q. mogelijkheden biedt. Hiervoor is geen nieuwe beschikking nodig. Het tweede lid onder d is opgenomen om uitvoering te geven aan het bepaalde in art. 2.9 Jeugdwet: ”de gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Tijdens het gesprek, bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt beoordeeld of er andere voorzieningen zijn waar de maatwerkvoorziening mee moet worden afgestemd. In de beschikking wordt vervolgens vastgelegd welke andere voorziening dat is. Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 16 en artikel 2.1.4, zesde lid, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. Voor jeugdhulp geldt geen ouderbijdrage meer. Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het eerste, tweede en derde lid bevatten voor wat betreft de Wmo 2015 een herhaling van hetgeen al in de tekst van de Wmo 2015 is opgenomen (zie artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 van de Wmo 2015). Voor wat betreft de Jeugdwet is het eerste lid een herhaling van artikel 8.1.2, eerste lid, maar het tweede en derde lid betreffen een uitbreiding ten opzichte van de Jeugdwet. Artikel 8.1.4, eerste lid, van de Jeugdwet regelt de herziening en intrekking van een beslissing aangaande een pgb. De verordening bepaalt dat het college een beslissing tot het verstrekken van jeugdhulp (dus zowel in natura als in de vorm van pgb) kan beëindigen, herzien dan wel intrekken. Artikel 8.1.4, derde lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien een beslissing aangaande een pgb met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, heeft herzien dan wel ingetrokken, het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb kan invorderen. De verordening regelt in het derde lid dat als het college een beslissing heeft ingetrokken, het college onder omstandigheden de geldswaarde kan vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of pgb. Met opname van deze wettekst en uitbreidingen in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het vierde en vijfde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen. In het zesde lid is de mogelijkheid tot verrekening geregeld. Artikel 12. Regels voor pgb algemeen Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt als de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Voor jeugdhulp geldt dat een pgb slechts wordt verstrekt indien de cliënt gemotiveerd kan aantonen dat de individuele voorziening die door een gecontracteerde aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie artikel 8.1.1, tweede lid, onder b, van de Jeugdwet). Uit zijn onderbouwing moet duidelijk worden dat de cliënt zich voldoende georiënteerd heeft op de voorziening in natura. De eis van het plan maakt ook duidelijk dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. In de verplichting in onderdeel c is opgenomen dat de cliënt schriftelijk motiveert hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening die hij van het budget wil betrekken van goede kwaliteit is. Daarbij is in elk geval van belang dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Voorwaarde is dat degene die de diensten verleent voor aanvang van de hulpverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag (vog) beschikt. De voorwaarde van het beschikken over een vog is opgenomen met het oog op de veiligheid van het kind of de (kwetsbare) cliënt. Net zoals de Jeugdwet deze eis stelt voor alle medewerkers van een jeugdhulpaanbieder, inclusief vrijwilligers, stelt de gemeente deze eis aan degene die, betaald uit het pgb, diensten verleent. De vog dient actueel te zijn. De wet verstaat hieronder dat de vog niet eerder is afgegeven dan drie maanden, voorafgaand aan het tijdstip waarop de hulpverlener voor de organisatie ging werken. De vog mag echter niet ouder zijn dan drie jaar. Op het moment dat de (initiële) hulpverlening van start gaat moet de cliënt de vog kunnen overleggen aan de gemeente. Voor een solistisch werkende hulpverlener (Wmo of Jeugd) geldt dat de vog tijdens de werkzaamheden niet ouder mag zijn dan drie jaar. Vragen die in het plan moeten worden beantwoord zijn: • Hoe is de veiligheid geborgd? • Hoe worden de gestelde doelen bereikt? • Hoe en wanneer wordt geëvalueerd? • Hoe is de ondersteuning afgestemd op de cliënt? • Heeft degene van wie de hulp betrokken wordt een verklaring omtrent het gedrag? In lid 1 onder e is opgenomen dat de cliënt in het plan de kosten moet uiteenzetten voor begeleiding, inclusief aanvullende specialistische begeleiding en mogelijk dagbesteding. Team Centrale Toegang Beschermd Wonen adviseert het college welke categorie van pgb beschermd wonen nodig is voor de cliënt. Dit doet het team op basis van het door de cliënt opgestelde plan. Daarom is het noodzakelijk dat de cliënt in het plan een nauwkeurige begroting opneemt voor alle onderdelen van het aanbod beschermd wonen. In het derde lid en volgende wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel c, van de Jeugdwet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1, vierde lid, onder a Jeugdwet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura, omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. In het vijfde lid is geregeld dat de gemeente een jeugdige, die jonger is dan achttien jaar, niet in staat acht zelf een pgb te beheren. Motivering is dat het uitvoeren van de aan het pgb verbonden taken op een dusdanige verantwoorde wijze dient te geschieden, dat het niet wenselijk is dit door minderjarigen te laten doen. Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1, tweede lid, onder c, van de Jeugdwet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015). In het zesde lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding van het pgb. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. Een periode van zes maanden moet ruim voldoende zijn voor de cliënt het pgb te besteden. Lid 8 bepaalt dat het pgb gebruikt mag worden voor een verantwoordingsvrij bedrag en een feestdagenuitkering, maar dat een verantwoordingsvrij bedrag of feestdagenuitkering niet leidt tot ophoging van het budget. Het verantwoordingsvrije bedrag en de feestdagenuitkering gaan namelijk af van het totaal toegekende budget. Artikel 13. Regels voor pgb-beheer In de praktijk komt het regelmatig voor dat cliënten ondersteuning hebben bij het beheren van het pgb. Deze ondersteuning mag niet betaald wordt uit het pgb. In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar pgb-beheer aan moet voldoen. Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de cliënt kan ondersteunen, maar niet in de plaats van de cliënt treedt. Dit blijkt uit de woorden "met hulp uit…" in artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wet. Als de cliënt in het geheel geen regie kan voeren, is het pgb niet de aangewezen verstrekkingsvorm. De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is daarnaast, gezien de belangenverstrengeling, onwenselijk en niet toegestaan. Voor familieleden in de eerste en tweede graad geldt een uitzondering. Dit neemt niet weg dat het college wel beoordeelt hoe de verhouding is tussen de cliënt en de pgb-beheerder en de mate van afhankelijkheid van cliënt ten opzichte van de pgb-beheerder. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare cliënten, bijvoorbeeld ouderen. Artikel 14. Regels voor pgb-professional Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de pgb-constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Het college dient zich te vergewissen van die kwaliteit. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een pgb wordt ingeschakeld. Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de cliënt komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria zoals bijvoorbeeld genoemd in lid 5 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. De eis in het vierde lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één huishouden, één plan” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake. Artikel 15. Regels voor pgb sociaal netwerk Dit artikel ziet specifiek op de situatie waar hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt. Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. In geval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd, is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb. In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een pgb. Het blijft altijd maatwerk. Voor de tarieven is aansluiting gezocht bij de oude Regeling subsidies AWBZ, welke bedragen sindsdien zijn geïndexeerd. Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de aanvrager kan de gemeente gebruik maken van de bepalingen rond die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg. De wet schrijft in artikel 2.3.6 lid 2 sub c voor dat diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. In de beoordeling of een pgb voor sociaal netwerk ‘veilig, doeltreffend en cliëntgericht’ verstrekt en besteed kan worden, betrekt het college onder meer de verhouding van de cliënt tot de zorgverlener en de mate van afhankelijkheid van cliënt ten opzichte van de zorgverlener. Dit is bedoeld om zowel voorafgaand aan de verstrekking als op een later moment te (kunnen) onderzoeken of het pgb veilig, doeltreffend en cliëntgericht gebruikt wordt, ook als cliënt en zorgverlener een sociale relatie onderhouden. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare cliënten, bijvoorbeeld ouderen. Artikel 16. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in natura en in de vorm van een pgb alsmede voor algemene voorzieningen. In de financiële bijlage wordt een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd die uitgesloten zijn van een bijdrage in de kosten. In het derde lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. In het vierde en vijfde lid is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt. In het zesde lid zijn de bedragen en percentages van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. In het zevende lid is gevolg gegeven aan artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015 waar is bepaald dat in de verordening wordt bepaald welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb voor opvang vaststelt en int. Het achtste lid bepaalt dat de bijdrage die voor het collectief vervoer gevraagd wordt, niet onder het abonnementstarief valt. Daar geldt een ander tarief, namelijk een opstarttarief en een bijdrage per kilometer. Deze tarieven worden vastgesteld door het bestuur van de BVO DRAN en de BVO DRAN sluit hierbij aan bij de tarieven zoals die gelden voor het reguliere busvervoer zonder korting. Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Voor de regeling ten behoeve van pleegouders wordt verwezen naar de Verordening maatschappelijke participatie gemeente Beuningen 2023. Artikel 18. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming. Op grond van het tweede lid kan het college bij besluit bepalen in welke gevallen een tegemoetkoming wordt verstrekt en wat de hoogte daarvan is. Door het vastleggen bij besluit is voor de burger op voorhand duidelijk op welke tegemoetkoming hij recht heeft. Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van Wmo voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het vijfde lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit artikel ziet alleen op maatschappelijke ondersteuning. De kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn opgenomen in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet. Het in het zevende lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015. Artikel 2.10 van de Jeugdwet verklaart dit artikel van overeenkomstige toepassing, dus deze verplichting geldt ook voor de Jeugdwet. Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 20 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vijfde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. De melding van calamiteiten en geweld in de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering is landelijk uniform geregeld in de Jeugdwet. Als toezichthouder is de inspectie jeugdzorg aangewezen. In aanvulling daarop is in de verordening ook de bevoegdheid opgenomen voor het college om een toezichthouder in het kader van de Jeugdwet aan te wijzen. Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. De tekst komt overeen met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Om bij de inkoop enige flexibiliteit te houden, is niet te gedetailleerd uiteengezet welke kostencomponenten een rol moeten spelen. Reizen, opleidingen en administratieve verplichtingen (waaronder rapporteren) vallen onder de noemer overhead. Artikel 22. Klachtregeling De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. De Jeugdwet kent deze verordenende verplichting voor de gemeente aangaande de aanbieders niet, maar beschrijft in paragraaf 4.2a het klachtrecht betreffende jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling, op grond van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. De gemeente heeft geen toezichthoudende functie voor de klachtregelingen van de jeugdhulpaanbieders. Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015). In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. De medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen is in de Jeugdwet geregeld (zie paragraaf 4.2.b). Artikel 24. Controle Op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet. De grondslag om toezichthouders aan te wijzen op grond van de Wmo 2015, vloeit voort uit artikel 6.1 van die wet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ. Artikel 25. Reikwijdte De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving op het bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft. In dit artikel wordt ondubbelzinnig weergegeven hoe de gemeente de reikwijdte van deze verantwoordelijkheid ziet. Toezicht en handhaving strekt zich uit tot zorg in natura als ook pgb-gefinancierde zorg. Het strekt zich uit tot de wettelijke bepalingen, de onderliggende landelijke en lokale regelgeving en de afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties. Artikel 26. Toezicht In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen. Artikel 27. Bevel Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren. Artikel 28. Inspectierapport De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie. In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit. In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen. Artikel 29. Aanwijzing De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen. Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft. Artikel 30. Hersteltermijn De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze aanbieder en de veiligheid van cliënten. Artikel 31. Cliëntenstop en verscherpt toezicht Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen. In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd. Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren. Artikel 32. Vervolgonderzoeksrapport Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de aanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken. Artikel 33. Handhavingsmaatregelen Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder in een zaak van de gemeente Almelo geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen. Om die reden is deze mogelijkheden opgenomen in deze verordening. Artikel 34. Inzet privaatrechtelijke middelen De maatregelen van artikel 33 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid. Artikel 35. Register Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het ROB zal het genoemde overzicht worden bijgehouden. Artikel 36. Meldingsplicht Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om signaalgestuurd te gaan werken. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en ook de aanbieder zelf. Als een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken. Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.10 van de Jeugdwet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo- en jeugdbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen en aanmeldingen die nog bij het college en de andere organisatie in behandeling zijn op grond van de nieuwe verordening beoordeeld zullen worden. Artikel 39. Nadere regels en hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo 2015 en Jeugdwet om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging er toch nog sprake is van een niet billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt, dan kan men zich afvragen of het beleid terzake niet aangepast moet worden. Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald. BIJLAGE 1: vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vormen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende maatwerkvoorzieningen worden verstrekt: - Hulp bij het huishouden - Rolstoel - Woonvoorzieningen - Woningaanpassingen - Vervoersvoorzieningen - Vervoersregeling - Begeleiding - Begeleiding plus - Praktische begeleiding - Persoonlijke verzorging - Dagbesteding - Kortdurend verblijf - Beschermd wonen: Beschermd wonen intramuraal, Trainingshuis en Beschermd Thuis - Opvang Middels hulp bij het huishouden dienen de volgende resultaten te worden bereikt: - In het kader van de leefbaarheid gerealiseerde hulp in het huishouden in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning; - Adequaat gebruik kunnen maken van goederen voor primaire levensbehoeften; - Adequaat gebruik kunnen maken van schone, draagbare en doelmatige kleding; -Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; - Regie op het huishouden kunnen voeren. Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: -Welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd - Schoolmaatschappelijk werk - Opvoedondersteuning en opvoedadvies - Jeugdhulp op de Sint Maartenschool De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: Jeugdhulp Ambulant -Reguliere begeleiding en verzorging en begeleiding - Specialistische begeleiding - Dagbesteding (intersectoraal) - Dagbehandeling (intersectoraal) - Vak therapie - Kortdurend verblijf - Casemanagement - Vervoerdiensten - GGZ (behandeling basis Jeugd GGZ, specialistische Jeugd GGZ (incl. observatie en diagnostiek) en dyslexie en Jeugd GGZ-beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg) Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional. -Dagbesteding, dagbehandeling en kortdurend verblijf jeugd wordt geleverd. De zorgaanbieder wordt geacht het noodzakelijke vervoer te regelen. Indien dit niet mogelijk is, kan dit een losse aanspraak bij de maatwerkvoorziening zijn. -Casemanagement Jeugd is een stapel-bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door de gemeentelijke toegangspoort of door een Gecertificeerde Instelling ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder. GGZ -basis GGZ - specialistische GGZ - klinische opname GGZ Jeugdhulp met Verblijf -pleegzorg - gezinshuiszorg - crisis - verblijf licht - verblijf middel - verblijf zwaar - jeugdzorgplus - ambulante behandeling Toelichting: -Binnen gezinshuiszorg vallen meerdere bouwstenen (gezinshuiszorg lichte, middel, zware begeleidingsintensiteit). - Onder ambulante begeleiding vallen ook de zwaardere vormen van (gezins)behandeling zoals MST. - Onder verblijf licht vallen meerdere producten (kortdurend verblijf, time-out voorziening). - Onder verblijf midden vallen meerdere producten zoals kamertraining en het fasehuis, leerhuis. - Onder verblijf zwaar vallen meerdere producten zoals behandelgroepen, drie leefmilieusvoorzieningen, onvoorwaardelijk wonen, kleinschalig wonen, beschermd wonen en verslavingszorg. Jeugdbescherming en jeugdreclassering -jeugdbescherming - jeugdreclassering - hulp in vrijwillig kader (intensief gezinsgerichte en systeemgerichte aanpak, actieve en consultatieve dienstverlening, consultatie, forza) BIJLAGE 2: financiële bijlage HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze bijlage wordt, additioneel op het in art. 1 van de verordening bepaalde, verstaan onder: 1. Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend. 2. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. 3. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding. 4. Eenmalig persoonsgebonden budget: pgb dat niet is bestemd voor dienstverlening, maar voor een (vervoers)hulpmiddel, een vervoerskostenvoorziening of een woningaanpassing. Dit pgb wordt door de gemeente uitbetaald en niet door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Paragraaf 2. Bijdrage in de kosten Artikel 2 2.1 Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate komt het meerdere voor rekening van de cliënt. 2.2 In uitzondering op het bepaalde in art. 16 lid 1 van de verordening, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor: a. rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning); b. [vervallen]; c. woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n); d. huurderving; e. maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt; f. arbeidsmatige dagbesteding; g. zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is; h. eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten; i. jeugdhulp; j. individuele thuisbegeleiding in een gezin waarbij de ondersteuning gericht is op zowel de ouder(s) als het kind; k. bij overlijden van de cliënt. Artikel 3 3.1 1. Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK met de door de gemeente Beuningen vastgestelde regels. 2. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt. 3. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een algemene voorziening plaats door de aanbieder van deze voorziening. 3.2 1. Voor maatwerkvoorzieningen geldt een eigen bijdrage conform de systematiek van het abonnementstarief. Deze eigen bijdrage is verschuldigd door de cliënt (ongehuwd) of de cliënten tezamen (gehuwd). Verder is niet van belang hoeveel maatwerkvoorzieningen de cliënt heeft of de cliënten hebben. Er geldt één eigen bijdrage, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Voor beschermd wonen, opvang geldt een afwijkende eigenbijdragesystematiek. 2. De eigen bijdrage kan samengaan met een bijdrage voor algemene voorzieningen die niet onder de systematiek van het abonnementstarief vallen. Gaat het echter om een algemene voorziening die wel onder de systematiek van het abonnementstarief valt (duurzame hulpverleningsrelatie), dan is cumulatie van deze bijdrage met de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen niet mogelijk. Alleen de eigen bijdrage conform het abonnementstarief geldt dan. 3. De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet begrensd door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald: Verstrekking (ook vervanging) in natura: Bij verstrekkingen waarbij maandelijks aan een aanbieder of leverancier een betaling plaatsvindt het tarief per maand; Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een betaling plaatsvindt aan een aanbieder of leverancier de kostprijs (verstrekt bedrag). Verstrekking als pgb: Bij verstrekkingen waarbij periodiek door een aanbieder zorg wordt geleverd en het pgb via de SVB (trekkingsrecht) ter beschikking wordt gesteld het tarief per maand; -Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een pgb wordt betaald aan de cliënt de kostprijs (verstrekt bedrag). Beschermd wonen kent een lage en hoge eigen bijdrage: -De lage eigen bijdrage volgt de systematiek als genoemd onder sub a 1e bullit en sub b 1e bullit, is altijd van toepassing bij een pgb en bij ZIN zonder wooncomponent. - De hoge eigen bijdrage (inkomens- en vermogensafhankelijk vaststelling CAK) geldt bij ZIN waarbij sprake is van een wooncomponent. 3.3 De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door: -Bij verstrekkingen waarbij maandelijks aan een aanbieder of leverancier een betaling plaatsvindt en bij verstrekkingen waarbij periodiek door een aanbieder zorg wordt geleverd en het pgb via de SVB (trekkingsrecht) ter beschikking wordt gesteld: de duur van de verstrekking. - Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een betaling plaatsvindt aan een aanbieder of leverancier en bij verstrekkingen waarbij eenmalig een pgb wordt betaald aan de cliënt: de kostprijs. HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING Paragraaf 1. Activiteiten dagelijks leven Artikel 4 4.1 De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald door de gemeente bedongen uurtarieven middels een aanbesteding. 4.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van een bedrag per uur. 4.3 Bij overlijden van de cliënt die een partner heeft, wordt de hulp bij het huishouden in natura beëindigd op de datum van overlijden. In het geval van een persoonsgebonden budget wordt het persoonsgebonden budget beëindigd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgens op de maand van overlijden. Paragraaf 2. Huisvesting Artikel 5 5.1 1. Het college kent twee soorten woonvoorzieningen: a. een woonvoorziening van bouwkundige of bouwtechnische aard b. een woonvoorziening niet van bouwkundige of bouwtechnische aard. 2. Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor een woonvoorziening, zoals genoemd in het eerste lid onder a, die in natura of als eenmalig persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in een aan het college overlegde offerte die voldoet aan het programma van eisen. 3. Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening, zoals genoemd in het eerste lid onder b, is gelijk aan de huurprijs per maand van de voorziening zoals die bij een verstrekking in natura in bruikleen door het college aan de contractleverancier betaald zou worden, vermenigvuldigd met de gemiddelde levensduur (zie artikel 20.1). In dit bedrag zijn de kosten van instandhouding, zoals onderhoud, reparatie en indien van toepassing, verzekering reeds opgenomen. Reparatiekosten die niet onder het onderhoudscontract vallen, worden, na goedkeuring van de offerte, vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten. 5.2 Als eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten van een verhuizing geldt als normbedrag € 3.199,85. 5.3 Voor een woningaanpassingen die duurder zijn dan € 3.199,85. kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt als er geen mogelijkheid is te verhuizen. 5.4 1. Indien de maatwerkvoorziening bestaat uit een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens rolstoelgebruik, huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, dan kan een eenmalig persoonsgebonden budget verstrekt worden. De hoogte van het eenmalig persoonsgebonden budget is afhankelijk van de ouderdom van de te vervangen goederen: a. 100% van de kosten als het te vervangen artikel niet ouder is dan 2 jaar; b. 75% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 2 en 4 jaar oud is; c. 50% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 4 en 6 jaar oud is; d. 25% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 6 en 8 jaar oud is; e. 0% van de kosten als het te vervangen artikel 8 jaar of ouder is. 2. Bij het bepalen van de hoogte van het in lid 1 bedoelde eenmalig persoonsgebonden budget wordt aangesloten bij de maximale bedragen zoals vermeld in de Prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting. 5.5 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huurderving (in natura of als persoonsgebonden budget) wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of aan te passen valt voor een bedrag van meer dan € 8.632,95. De tegemoetkoming is gemaximeerd op zes maanden op basis van de netto (kale) huurprijs. 5.6 1. Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten kan worden verstrekt ten behoeve van tijdelijke huisvesting indien deze meerkosten moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van: a. De huidige woonruimte van cliënt; b. De door cliënt nog te betrekken woonruimte. 2. De eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van tijdelijke huisvesting wordt uitsluitend verleend voor de periode, waarin de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en cliënt als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan die redelijkerwijs niet voorkomen kunnen worden. 3. Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten in verband met tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van € 726,64 per maand voor een zelfstandige woonruimte of € 359,75 per maand voor een niet-zelfstandige woonruimte. 5.7 Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten dat als maximum verstrekt wordt bij het logeerbaar maken van de woning bedraagt € 2.666,54. 5.8 Indien het college een eenvoudige losse woonvoorziening van niet-bouwtechnische of niet-bouwkundige aard tot € 300 verstrekt, verstrekt het college deze voorziening in eigendom. Paragraaf 3. Verplaatsen en vervoer Artikel 6 Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering voor vergelijkbare rolstoelen in het een na vorige volledige kalenderjaar. Artikel 7 Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vermeerderd met de instandhoudingskosten (voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering) over een periode van 7 jaar. Artikel 8 1. Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt € 719,97 als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van € 1.439,48. 2. Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (rolstoel) taxi bedraagt € 719,97 als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van € 1.439,48. 3. Het bedrag dat per afgelegde kilometer wordt vergoed in het kader van de vervoersvoorziening onder lid 1. Artikel 8A 1. Bij het compenseren van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen ligt het primaat bij het collectieve vervoerssysteem via Avan. 2. De cliënt die als gevolg van aantoonbare beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of voor wie het openbaar vervoer niet compenserend is, kan in aanmerking komen voor een Wmo-vervoerspas voor gebruik van het collectief vervoer. Met deze Wmo-vervoerspas wordt een korting verkregen op het normale tarief van dit collectief vervoer. 3. In het geval van een Wmo-vervoerspas zoals bedoeld in lid 2 betaalt de gemeente het verschil tussen het AVAN-tarief per kilometer en het tarief dat reizigers in het reguliere ov per kilometer betalen. De reiziger is een eigen bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van het collectieve vervoer en kan de actuele tarieven vinden op de website van de vervoersorganisatie AVAN. Deze bijdrage valt niet onder het abonnementstarief. 4. De in lid 2 bedoelde vervoerspas voor het gebruik van collectief vervoer maakt het mogelijk om per kalenderjaar maximaal 1500 kilometer met korting, zoals bedoeld in lid 2 en 3 te reizen. Na het bereiken van deze 1500 kilometer komt de cliënt niet meer in aanmerking voor een door de gemeente gefinancierde korting op het normale tarief van dit collectief vervoer. 5. De onder lid 3 vermelde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil 1-1-2025. Deze worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van ontwikkelingen ten aanzien van de gehanteerde prijsindex (NEA index en CPI index) en gewijzigde btw-en vervoerstarieven. Artikel 8B 1. Het in artikel 8 lid 1 bedoelde eenmalig persoonsgebonden budget dat wordt verstrekt voor gebruik van een (eigen) auto, bedraagt in het geval van: - kinderen 4 jaar en <12 jaar: de helft van het bedrag zoals genoemd in artikel 8 lid 1; - kinderen >12 jaar: volledige bedrag zoals genoemd in artikel 8 lid 1. 2. Indien de behoeften van echtgenoten samenvallen en gebruik kan worden gemaakt van dezelfde voorziening, wordt een enkel eenmalig pgb, zoals bedoeld in artikel 8, toegekend. 3. Indien de behoeften van echtgenoten niet samenvallen, wordt niet meer dan anderhalf maal een in artikel 8 bedoeld eenmalig pgb toegekend. Paragraaf 4. Maatschappelijke participatie Artikel 9 1. De eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 4.799,78. 2. Dit bedrag is bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar. Paragraaf 5. Beschermd wonen Artikel 10 10.1 De tarieven voor beschermd wonen in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente bedongen uurtarieven bij een aanbesteding. 10.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van beschermd wonen (beschermd wonen intramuraal, trainingshuis of beschermd thuis) vindt plaats op basis van acht producten (tabel in 10.3). De hulpvraag bepaalt welk product beschermd wonen wordt toegekend 10.3 a. Binnen beschermd wonen wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door professionals en niet-professionals. Bij zorgverlening door professionals hanteren wij een standaardtarief per dag. Voor niet-professionals wordt gerekend met een uurtarief. Onder niet-professionals wordt het sociaal netwerk van een cliënt verstaan. Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociale netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is een relevant diploma. b. Vaststelling van het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is gebaseerd op het totaal aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben. De cliënt mag binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie, de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen. Categorie Aantal uren groepsbegeleiding per week Aantal uren individuele begeleiding per week Beschermd Thuis: licht 0 2-3 Beschermd Thuis: middel 0 4-6 Beschermd Thuis: zwaar 0 6-9 Beschermd wonen intramuraal; licht 7 4-6 Beschermd wonen intramuraal: middel 7 7-9 Beschermd wonen intramuraal: zwaar 7 10-14 Trainingshuis licht 7 2,5-4,5 Traingingshuis middel 7 5-7 Met het aantal in te zetten uren individuele en/of groepsbegeleiding mag worden gewisseld, waarbij we gebruik maken van de omrekenfactor 1 op 6. Dat wil zeggen dat 6 groepsuren gelijk staan aan 1 individueel uur. 10.4 1. In bepaalde gevallen wordt het persoonsgebonden budget niet berekend op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het gaat om de volgende situaties: a. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van niet professionele zorg. b. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet-professionele en professionele zorg. Een uitsplitsing wordt gemaakt om te bepalen hoeveel uren niet-professioneel en hoeveel uren de budgethouder professioneel nodig heeft. Deze zullen worden toegekend conform de uurtarieven in bovenstaande tabel in 11.3. c. De indicatiesteller (GGD Gelderland-Zuid, Toegang Beschermd Wonen) constateert dat de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen geeft de GGD een advies over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft. 2. Indien een cliënt met een persoonsbudget voor beschermd wonen zowel professionele zorg inkoopt bij een aanbieder als niet-professionele zorg uit zijn eigen netwerk, leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg. Het totale persoonsgebonden budget is gebaseerd op een totaal aantal uren dat de uren in bovenstaande tabel niet kan overschrijden. Paragraaf 6. Begeleiding/dagbesteding Artikel 11 11.1 De tarieven voor begeleiding/dagbesteding in natura worden bepaald aan de hand van de door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding. 11.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding/dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. Paragraaf 7. Opvang Artikel 12 12.1 Vervallen 12.2 De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling. 12.3 De bijdrage in de kosten voor opvang bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten. 12.4 Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) aan de cliënt geen voeding verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag, dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het bedrag niet bekend is, bepaalt het college het bedrag dat hiervoor in de plaats komt. 12.5 Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten. 12.6 Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm. HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP Artikel 13 13.1 De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald aan de hand van de door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding. 13.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. Artikel 14 14.1 Alleen in uitzonderingssituaties bij zwaarwegende redenen is inzet van een pgb door mensen uit het sociale netwerk van de cliënt mogelijk. Drie aanvullende cumulatieve criteria voor uitvoering van het pgb door leden uit het sociale netwerk: • Degene die de voorziening met het pgb uitvoert is aantoonbaar deskundig; • Degene die de voorziening met het pgb uitvoert lijdt kostenderving: ofwel in de vorm van inkomstenderving in verband met het bieden van mantelzorg, ofwel in de vorm van extra kosten die hij moet maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden; • Pgb door het sociaal netwerk leidt tot betere/efficiëntere ondersteuning. 14.2 Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden; c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. 14.3 a. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in artikel 16.1, indien toepassing van deze bepalingen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. b. Het college kan de bepalingen in dit artikel nader invullen in de beleidsregels. Artikel 15 15.1 Teneinde hun eigen kracht en regie te versterken stelt het college tijdens het vooronderzoek de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 15.2 Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van de Verordening Jeugdhulp. HOOFDSTUK 4 OVERIG Paragraaf 1. Terugvordering Artikel 16 1. De meerwaarde van de woning die door het ontvangen van een woonvoorziening (compensatie op het leefgebied huisvesting) is ontstaan, dient gedeeltelijk aan de gemeente Beuningen te worden terugbetaald. 2. Voor het bepalen van het bedrag van meerwaarde wordt uitgegaan van: a. Het toegekende bedrag voor de woonvoorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de woonvoorziening is betaald; b. Een afschrijving van 10% voor elk vol jaar dat de woonvoorziening was gerealiseerd. Artikel 17 Bij een bedrag tot € 150,- wordt afgezien van terugvordering. Paragraaf 2. Persoonsgebonden budget Artikel 18 18.1 Voor de duur van de verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt de volgende economische afschrijvingstermijn gehanteerd: a. Maatwerkvoorziening voor een meerderjarige: 7 jaar (oftewel 91 zorgperioden); b. Maatwerkvoorziening voor een minderjarige: 5 jaar (oftewel 65 zorgperioden). 18.2 Als een minderjarige meerderjarig wordt dan wordt de afschrijvingstermijn verminderd met het aantal jaren dat de minderjarige de maatwerkvoorziening heeft toegekend gekregen. 18.3 In afwijking van het eerste lid kan voor tweedehands maatwerkvoorzieningen voor een meerderjarige en minderjarige de afschrijvingstermijn worden verminderd met de actuele leeftijd van de maatwerkvoorziening. 18.4 Indien de met het eenmalig persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde periode nog adequaat, kwalitatief verantwoord en compenserend is, dan wordt geen nieuw persoonsgebonden budget verstrekt. Een persoonsgebonden budget voor instandhoudingskosten kan dan wel worden verstrekt. Onder instandhoudingskosten wordt verstaan: de noodzakelijke kosten om de voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover van toepassing, de verzekeringskosten. 18.5 De bewaartermijn voor de pgb-administratie is 7 jaar. 18.6 Bij de verlening van een persoonsgebonden budget worden de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd: a. De budgethouder dient zelf een aansprakelijkheidsverzekering te hebben (afgesloten) voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan. Zoals bepaald in artikel 11 van de verordening is – indien van toepassing – een component opgenomen voor verzekering. b. De budgethouder dient zelf een voorziening die een motorrijtuig is in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) te verzekeren in overeenstemming met artikel 2 van die wet. Zoals bepaald in artikel 11 van de verordening is – indien van toepassing – een component opgenomen voor verzekering. Artikel 19 Bij overlijden van de pgb-houder wordt het persoonsgebonden budget beëindigd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand van overlijden. Artikel 20 Het college indexeert de bedragen genoemd in artikel 5.2, 5.3, 5.5, 5.6, 5.7, 8 lid 1 en 2 en 9 lid 1 van deze financiële bijlage jaarlijks op 1 januari op basis van de consumentenprijsindex zoals het CBS deze vaststelt. Tabel tarieven persoonsgebonden budget Wmo/Jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 WMO Perceel Producten Productcode Eenheid PGB professioneel PGB informeel Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging Wmo 03A03 Per uur € 49,88 € 25,02 Begeleiding Begeleiding Wmo 02A03 Per uur € 55,96 € 25,02 Begeleiding plus Wmo 02A05 Per uur € 67,34 € 25,02 Begeleiding in een groep Wmo 02A17 Per uur, gedeeld door het aantal deelnemers € 18,72 n.v.t. Begeleiding plus in een groep Wmo 02A20 Per uur €22,45 n.v.t. Casemanagement Wmo 02A21 Per uur € 67,34 n.v.t Dagbesteding Dagbesteding Wmo 07A03 Per dagdeel € 37,57 € 25,02 Logeeropvang Kortdurend verblijf Wmo 04A04 Per etmaal € 195,98 € 36,39 Vervoer Vervoer dagbestedingen kortdurend verblijf Wmo 08A03 Per etmaal € 13,80 n.v.t. Hulp bij huishouden Praktische begeleiding 01A06 Per uur € 45,12 € 22,56 Jeugd Perceel Producten Productcode Eenheid PGB professioneel PGB informeel Persoonlijke verzorging Verzorging en begeleiding Jw 40A04 Per uur € 62,36 € 25,02 Begeleiding Begeleiding Jw 45A04 Per uur € 55,96 € 25,02 Specialistische begeleiding Jw 45A05 Per uur € 67,34 € 25,02 Specialistische begeleiding in een groep Jw45A49 Per uur € 22,45 n.v.t. Casemanagement Jw 45A55 Per uur € 67,34 n.v.t. Begeleiding in een groep Jw 45A71 Per uur € 18,72 n.v.t. Dagbesteding en dagbehandeling Voorschoolse dagbehandeling Jw 41A11 Per uur € 28,80 € 14,40 Naschoolse dagbehandeling Jw 41A12 Per uur € 26,88 € 13,44 Naschoolse dagbehandeling LVB Jw 41A13 Per uur € 34,56 € 17,28 BSO+ Jw 41A19 Per uur € 17,76 € 8,88 Onderwijstoeleidende dagbesteding Jw 41A20 Per uur € 16,80 € 8,40 Dyslexie Dyslexie Jw 45A74 Per uur n.v.t. n.v.t. Logeeropvang Logeeropvang Jw 44A09 Per etmaal € 195,98 € 36,71 Vervoer Vervoer Jw 42A03 Per etmaal € 13,80 n.v.t. GGZ Vaktherapie Jw 45A53 Per uur € 76,86 n.v.t. Groepsgerichte vaktherapie Jw 45A52 Per uur n.v.t. n.v.t. Behandeling basis Jeugd GGZ Jw 54001 Per uur € 93,75 n.v.t. Specialistische Jeugd GGZ (incl. Obs. En diagnostiek) Jw54002 Per uur € 109,17 n.v.t. Pgb-tarief hulp bij het huishouden Perceel Producten Productcode Eenheid Pgb-tarief Hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden 1 en 2 Per uur € 21,00 Tabel tarieven persoonsgebonden budget voor ondersteuning ZG ZG Perceel Producten Productcode Eenheid PGB professioneel PGB informeel Ondersteuning vroegdoven Gespecialiseerde begeleiding ZG 02L05 per uur € 56,13 € 25,02 Revaliderende begeleiding ZG 02L06 per uur € 56,13 € 25,02 Dagactiviteit zintuigelijk gehandicapten 07L01 per dagdeel € 56,13 € 25,02 Ondersteuning Doofblinden Gespecialiseerde begeleiding doofblinden 02L12 per uur € 56,13 € 25,02 Begeleidersvoorziening Doofblinden 02L13 per uur € 56,13 € 25,02 Revaliderende begeleiding ZG 02L14 per uur € 56,13 € 25,02 Dagactiviteit zintuigelijk gehandicapten 07L02 per dagdeel € 56,13 € 25,02 Ondersteuning visueel Gespecialiseerde begeleiding 02L15 per uur € 56,13 € 25,02 Zorg in Natura Tarieven en Producten 2025 Wmo Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging Wmo 03A03 € 1,04 Per minuut Begeleiding Begeleiding Wmo Wmo 02A03 € 1,23 Per minuut Begeleiding plus Wmo 02A05 € 1,50 Per minuut Begeleiding in een groep Wmo Wmo 02A17 € 1,47 Per minuut Begeleiding plus in een groep Wmo 02A20 € 1,80 Per minuut Casemanagement Wmo 02A21 € 1,33 Per minuut Dagbesteding Dagbesteding Wmo 07A03 € 46,78 Per dagdeel Logeeropvang Kortdurend verblijf Wmo 04A04 € 192,00 Per etmaal Vervoer Vervoer dagbesteding en kortdurend verblijf Wmo 08A03 € 18,88 Per etmaal Hulp bij huishouden Praktische begeleiding 01A06 € 0,94 Per minuut Jeugd (ambulant) Persoonlijke verzorging Verzorging en begeleiding Jw 40A04 € 1,33 Per minuut Begeleiding Reguliere begeleiding Jw 45A04 € 1,25 Per minuut Specialistische begeleiding Jw 45A05 € 1,51 Per minuut Specialistische begeleiding In een groep Jw 45A49 € 1,81 Per minuut Casemanagement Jw 45A55 € 1,33 Per minuut Reguliere begeleiding Jw 45A71 € 0,38 Per minuut Dagbesteding en dagbehandeling Voorschoolse dagbehandeling Jw 41A11 € 0,60 Per minuut Naschoolse dagbehandeling Jw 41A12 € 0,56 Per minuut Naschoolse dagbehandeling LVB+ Jw 41A13 € 0,72 Per minuut BSO+ Jw 41A20 € 0,37 Per minuut Onderwijs-toeleidende dagbesteding Jw 41A21 € 0,35 Per minuut Dyslexie Dyslexie Jw 45A74 € 1,81 Per minuut Logeeropvang Logeeropvang Jw 44A09 € 361,84 Per etmaal Vervoer Vervoer Jw 42A03 € 37,25 Per etmaal GGZ Vaktherapie Jw 45A53 € 1,51 Per minuut Groepsgerichte vaktherapie Jw 45A52 € 1,65 Per minuut Behandeling basis Jeugd GGZ Jw 54001 € 1,90 Per minuut Specialistische Jeugd GGZ (incl. Obs en diagnostiek) Jw 54002 € 2,16 Per minuut Beschermd Wonen Zorg in Natura Tarieven 2025 Producten Beschermd wonen Productcode Eenheid ZIN tarief 2025 Beschermd Thuis: Licht 15N02 Etmaal € 37,08 Beschermd Thuis: Middel 15N03 Etmaal € 70,63 Beschermd Thuis: Zwaar 15N04 Etmaal € 104,19 Beschermd wonen intramuraal: Licht 15N11 Etmaal € 145,18 Beschermd wonen intramuraal: Middel 15N12 Etmaal € 186,38 Beschermd wonen intramuraal: Zwaar 15N13 Etmaal € 227,58 Trainingshuis licht 15N14 Etmaal € 64,43 Trainingshuis middel 15N15 Etmaal € 94,00 Overige producten Productcode Eenheid ZIN Dagbesteding 15N21 Dagdeel € 46,78 Meerzorg 15N31 Uur € 80,40 Vervoer van en naar dagbesteding 15N51 Retourrit € 18,88 Afwezigheidsdag 15N41 Etmaal € 68,94 Wachtzorg 15N17 Etmaal € 37,08 Toeslag Wakende Wacht 15N16 Etmaal € 29,10 Beschermd Wonen Zorg PGB Tarieven 2025 BIJLAGE 3 Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgb-zorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven. Algemene criteria Geschiktheidseisen: -Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en; - De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen, afhankelijk van de te leveren ondersteuning: een bewijs als geregistreerd professional jeugd of certificering Wmo; - Ervaring blijkend uit 1 relevante referentieopdracht *2) uitgevoerd in de laatste 3 jaren. Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer. *2) De vereiste capaciteit, kennis en ervaring moet zijn opgedaan in en moet blijken uit één relevante referentieopdracht die in de afgelopen 3 jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie: - ZIN referentie (1 of meerdere referenties met minimaal 5 cliënten), of - PGB referentie geanonimiseerd (1 of meerder referenties met minimaal 5 cliënten) Uitsluitingsgronden 1. Het niet betalen van belasting en/of sociale premies 2. Deelneming in een criminele organisatie 3. Fraude 4. Terroristische misdrijven 5. Witwassen 6. Kinderarbeid/mensenhandel 7. Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht 8. Faillissement 9. Vervalsing van mededinging 10. Een belangenconflict 11. Valse verklaring(en) 12. Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie 13. Onrechtmatige beïnvloeding 14. Ernstige beroepsfouten: a. doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst; b. verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens; c. handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht; d. begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; e. het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde; f. alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep. Screening kan bestaan uit: 1. Het door een zorgaanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); 2. Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen; 3. Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob. Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming moet de hoofdaannemer garant kunnen staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) tekortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie ‘kwaliteitseisen’). 1. Het hulpverleningsplan/herstelplan en evaluatieverslag dienen aan de volgende eisen te voldoen *4): De gemeente hecht veel waarde aan: 1. “één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning; 2. dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid); 3. dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden; 4. methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties. a. Een check moet gedaan zijn op alle leefdomeinen. Leefdomeinen zijn: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie. b. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Doelen zijn geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Activiteiten zijn geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieplan evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan. c. De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Afspraken over de afstemming tussen de betrokken zijn gemaakt. Beschreven wordt wie de regie voert: cliëntsysteem, casemanagement door de zorgaanbieder, gemeentelijke toegangspoort, of gecertificeerde instelling. d. In het plan is een goede balans tussen formele en informele zorg opgenomen. Bovendien wordt in het plan goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties). Tevens wordt gemotiveerd beschreven of individuele hulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten. e. De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd. f. In het plan staat beschreven hoe wordt gewerkt aan versterking van de eigen regie van de cliënt en aan versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (leervermogen) wordt aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan. *4) Deze bepaling is vanzelfsprekend alleen van toepassing als voor het type zorg of ondersteuning een hulpverleningsplan en evaluatieverslag is vereist. 2. Bereik en participatie specifieke doelgroepen De gemeente hecht veel waarde aan een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan meedoen. Dat vereist toegankelijkheid van de zorg voor alle burgers met een ondersteuningsvraag bijvoorbeeld vanwege lichamelijke, verstandelijke en /of psychische beperkingen. Daarbinnen zijn er kwetsbare doelgroepen met extra uitdagingen vanwege taal, etniciteit, culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/of seksuele geaardheid. Van zorgaanbieder wordt verwacht dat hij deze specifieke doelgroepen kan bereiken, in hun kracht zet, hun sociaal netwerk versterkt en laat meedoen in de samenleving. 3. Betaalbaarheid De zorgaanbieder dient bij te dragen aan de doelstelling betaalbaarheid van zorg vanuit de doelstelling: licht waar kan, zwaar waar nodig. 4. Duurzaamheid De gemeente hecht belang aan duurzaamheid rondom de thema’s personeel en milieu. Een duurzaam personeelsbeleid is van cruciaal belang in de zorg: de kwaliteit van de zorg wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het personeel, de match van het personeel met de cliënt en de continuïteit van de professional voor de cliënt. Daar hoort bij dat het personeel vakbekwaam, vitaal en toekomstbestendig is en dat er geen hoog verloop van personeel is. Kwaliteitseisen begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen (Wmo) en Jeugdhulp De zorgaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in het programma van eisen ten aanzien van het betreffende product, te vinden op https://robregionijmegen.nl/documentatie-downloads/ BIJLAGE 4 Protocol gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Inleiding Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening wanneer de jeugdige en/of zijn ouders naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen in staat is gezond en veilig op te groeien en zich zo goed mogelijk te ontwikkelen. Het college kan weigeren om een maatwerkvoorziening te verstrekken vanwege de aanwezigheid van gebruikelijke hulp die de ouders geacht worden te verlenen aan hun kind. De aanwezigheid van gebruikelijke hulp en de omvang daarvan, moet op basis van objectieve criteria worden gemotiveerd en geconcretiseerd. Deze criteria worden in dit protocol uitgewerkt. Dit protocol heeft naast de inleiding drie onderdelen, namelijk: 1. Verhouding gebruikelijke hulp en ondersteuning 2. Begeleiding en verzorging Jeugdwet 3. Tabel 1. Verhouding gebruikelijke hulp en ondersteuning t.o.v. artikel 5 lid 2 van de Verordening Wmo en Jeugd en de daarbij behorende Beleidsregels In artikel 5 lid 2 van de Verordening staat dat het college in ieder geval onderzoekt: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van de hulpvraag; c. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden; e. de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; f. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zvw en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen; g. de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Omdat gebruikelijke hulp hulp is waarvan we minimaal verwachten dat mensen die ‘normaal’ aan elkaar geven, wordt het niet gecompenseerd vanuit de Jeugdwet. Mantelzorg of ondersteuning door het sociaal netwerk kunnen we echter niet eisen en bieden mensen vrijwillig. Afhankelijk van de situatie zijn mensen meer of minder in staat om iets te betekenen voor een ander. Het is maatwerk in hoeverre mantelzorg en steun vanuit het eigen netwerk, bovenop gebruikelijke hulp, meeweegt in het besluit om al dan niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Na de beoordeling van gebruikelijke hulp, wordt met de cliënt en het netwerk besproken wat zij voor elkaar kunnen betekenen en in hoeverre aanvullende ondersteuning nodig is, bijvoorbeeld om de mantelzorger te ontlasten. Dit betekent dus niet dat alle bovengebruikelijke hulp wordt gehonoreerd met een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb als iemand hierom vraagt (zoals eerder onder de AWBZ het geval was). Het hangt af van de sociale relatie welke hulp en ondersteuning mensen van elkaar mogen verwachten. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp en ondersteuning mensen elkaar horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar hulp en ondersteuning bieden, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot het mogelijke beroep op een maatwerkvoorziening op basis van Wmo 2015 en Jeugdwet. De criteria voor pgb genoemd in artikel 12 t/m 15 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp en zijn (dan ook) voorliggend op dit protocol. Het principe van 'gebruikelijke hulp' heeft een verplichtend karakter. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van bijvoorbeeld sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving. 2. Begeleiding en verzorging vanuit de Jeugdwet 2.1 Beoordelingskader bij ouders en jeugdige(n) Als eerste wordt de benodigde hulp en ondersteuning bepaald, vervolgens wordt beoordeeld: Welk deel van deze hulp en ondersteuning onder de gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen valt - Ouders aan kinderen in kortdurende situaties Alle begeleiding door de ouder aan het kind is gebruikelijke hulp en ondersteuning als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat een maatwerkvoorziening daarna niet langer is aangewezen. We spreken van een kortdurende zorgsituatie als sprake is van een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. - Ouders aan kinderen, in langdurige situaties Als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke begeleiding in vergelijking tot een gezond kind c.q. een kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijdscategorie volgens de in de bijlage aangegeven richtlijnen per levensfase wordt overschreden, is sprake van bovengebruikelijke hulp. Welk deel van de benodigde hulp en ondersteuning als aanvullend kan worden gezien. In hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Om vast te stellen op welke hulp en ondersteuning het kind redelijkerwijs is aangewezen, wordt, gelet op de omstandigheden van het betrokken kind, beoordeeld welke hulp en ondersteuning op het gebied van persoonlijke verzorging en hulpverlening uitgaat boven de hulp en ondersteuning die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. 2.1.1 Leeftijd Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de hulp en ondersteuning die het ene kind nodig heeft namelijk meer of minder zijn dan de hulp en ondersteuning die een ander kind nodig heeft. 2.1.2 Aard van de (zorg)handelingen Gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdigen kunnen ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten, of het geven van medicijnen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. 2.1.3 Frequentie en patroon van de (zorg)handelingen (samenloop) Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp en ondersteuning aan een kind, zoals drie keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp en ondersteuning worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij jeugdigen met een lichamelijke beperking. Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp en ondersteuning van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van hulp van ouders aan een ouder kind. 2.1.4 Omvang van de met de (zorg)handelingen gemoeide tijd De tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan (bijvoorbeeld wassen en kleden bij spasticiteit) meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp en ondersteuning sprake is. 2.1.5 Beschermende woonomgeving en jeugdigen Het door de ouders aan het kind bieden van een beschermende woonomgeving moet afhankelijk van de levensfase van het kind als gebruikelijke hulp en ondersteuning worden aangemerkt, ook indien sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. In de tabel zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp en ondersteuning van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen. 2.1.6. Aandachtspunten Ouderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke hulp en ondersteuning. Kinderen (met of zonder ziekte of handicap) hebben ouderlijk toezicht nodig. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder wordt en zich ontwikkelt. In de bijlage zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp en ondersteuning van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen. Dit zijn uitgangspunten bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp en ondersteuning. Per casus moet worden gemotiveerd waarom dit protocol van toepassing is. 3.Tabel toekenningsvoorwaarden en afwegingsfactoren Wat is gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel (ter vergelijking bij aanvragen van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet)? Deze tabel geeft slechts een richtlijn/indicatie. Maatwerk staat voorop, dus in elk geval moet een zorgvuldige individuele afweging gemaakt worden of en in hoeverre deze tabel van toepassing is in een specifieke situatie. 1. Jeugdigen van 0 tot 3 jaar - Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; - ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; - zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; - hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. 2. Jeugdigen van 3 tot 5 jaar - Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. Ouder kan was ophangen in andere kamer); - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; - kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; - hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; - hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; - hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; - zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; - hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. 3. Jeugdigen van 5 tot 12 jaar - Jeugdigen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week; - kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); - hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; - hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; - zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; - hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; - hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan; - hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. 4. Jeugdigen van 12 tot 18 jaar - Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; - kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; - kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; - kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; - hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; - hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; - hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; - hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); - hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; - hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel