**1..** Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen
pensioen wordt het deel daarvan, dat geacht kan worden betrekking te
hebben op een tijd, overeenkomende met de diensttijd waarnaar zijn
pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, gerekend deel uit te
maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:
voor zover diensttijd met 3,5 procent per jaar met pensioen
wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt
vermenigvuldigd;
voor zover diensttijd met 0,875 procent per jaar met
pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt
vermenigvuldigd;
maximaal een diensttijd van 40 jaar in aanmerking wordt
genomen.
Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag
genoemd.
**2..** Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in
artikel 25, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met
het recht op een pensioen als bedoeld in artikel 9, tiende lid,
onder a of b van de Algemene Ouderdomswet, lid 1 van toepassing was,
vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste
dag van de maand, volgende op die waarin dat pensioen krachtens het
bepaalde in artikel 65, lid 1, is geëindigd.
**3..** Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen
pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijdvak,
liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd, waarnaar
het pensioen met inachtneming van lid 1 is of geacht wordt te zijn
berekend.
Afdeling II › Hoofdstuk V › Paragraaf 2
Artikel 47
Inbouwbedrag
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992