In afwijking van artikel 41 zijn ten aanzien van de in het
tweede lid bedoelde personen, de bepalingen genoemd in de
leden 4 tot en met 8 van toepassing.
De in het eerste lid bedoelde personen zijn:
degenen die vóór 1 januari 1986 recht op eigen
pensioen hebben verkregen dan wel de leeftijd van
zestig jaar hebben bereikt;
nabestaande en wezen die recht op pensioen hebben
ontleend aan het overlijden van een persoon die
voldeed aan een voorwaarde gesteld onder a, dan wel
recht op dat pensioen hebben verkregen vóór 1
januari 1986.
Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen wordt
niet onder pensioen begrepen de toeslag bedoeld in de
artikelen 36 of 37.
Indien recht bestaat op meer dan een eigen pensioen
krachtens of op voet van de Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers, dan wel naast een of meer zodanige pensioenen
recht bestaat op een of meer eigen pensioenen krachtens een
andere regeling en het totaal van die pensioenen meer
bedraagt dan f 121.187,--, wordt op grond van artikel 154
juncto artikel 93 van genoemde wet elk krachtens deze
verordening toegekend eigen pensioen beperkt tot een zodanig
gedeelte (beperkingsbreuk) van evengenoemd bedrag als
evenredig is aan de verhouding waarin elk der krachtens deze
verordening toegekende pensioenen staat tot het totaal van
die pensioenen.
Indien het bedrag van een of meer van de in het vorige lid
bedoelde pensioenen bij berekening naar de maximaal in
aanmerking komende diensttijd hoger is of zou zijn dan f
121.187,--, treedt op grond van het in het vorige lid
genoemde wetsartikel dat hogere bedrag of het hoogste van
die bedragen voor de toepassing van het vorige lid in de
plaats van f 121.187,--. Voor de in de vorige volzin
bedoelde vergelijking worden de pensioenen aangepast
overeenkomstig de regelen, bedoeld in artikel 157 van
meergenoemde wet en daarmee overeenkomende artikelen in
andere pensioenwetten.
Het in de leden 4 en 5 genoemde bedrag wordt gewijzigd bij
de regelen bedoeld in artikel 157 van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers.
Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in
dit artikel verstaan een pensioen, een daarmee in aard
overeenkomende uitkering, alsmede een onderstand bij wijze
van pensioen ten laste van het rijk, een provincie, gemeente
of waterschap, van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds,
van het Spoorwegpensioenfonds en van de Stichting
administratie Indonesische pensioenen, dan wel ten laste van
de Nederlandse Antillen of een publiekrechtelijk lichaam in
dat land of een door het openbaar gezag in een van deze
landen ingesteld fonds, met inbegrip van de daarop onder
welke benaming ook verleende toeslagen en met uitzondering
van een pensioen krachtens de Wet buitengewoon pensioen
1940-1945 (Stb. 1947, H 313) en de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1947, H 420),
van een uitkering krachtens de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945, van een
invaliditeitspensioen met de daarop toegekende verhogingen
krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van
de Algemene militaire pensioenwet, van een
invaliditeitspensioen, een invaliditeitsverhoging en een
bijzondere invaliditeitsverhoging krachtens laatstgenoemde
wet, alsmede van een uitkering krachtens de Algemene
oorlogsongevallenregeling.
Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit
artikel mede begrepen een ten laste van het rijk onder welke
benaming ook verleende toeslag op een pensioen, een daarmee in aard
overeenkomende uitkering of een onderstand bij wijze van pensioen
ten laste van Suriname of een publiekrechtelijk lichaam in dat land.
8.Na beperking van een eigen pensioen volgens lid 4 of lid 5 wordt
de toegepaste beperkingsbreuk slechts gewijzigd, wanneer een
pensioen als in dit artikel bedoeld wordt toegekend of eindigt dan
wel - anders dan wegens aanpassing naar de in artikel 157 van de
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers bedoelde regelen en
daarmee overeenkomende regelen in andere pensioenwetten dan de in
dit artikel genoemde - wordt herzien.
Afdeling III › Hoofdstuk II
Artikel 81
Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 41
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992