Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.3

Privacy en gegevensverwerking

Onderdeel van Beleidsregel preventie, toezicht en handhaving rechtmatigheid Wmo en Jeugdwet 2025 – regio Lekstroom

In deze paragraaf wordt apart ingegaan aan het onderwerp privacy en gegevensverwerking (hieronder valt ook gegevensuitwisseling). In het algemeen regelt de privacywetgeving dat persoonsgegevens door overheidsinstanties alleen kunnen worden opgevraagd en uitgewisseld als dat wettelijk is geregeld en daarvoor een noodzaak aanwezig is in het kader van het uitvoeren van een overheidstaak. Toepasselijke regels zijn opgenomen in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG), Wmo en Jeugdwet. Voor de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet hebben gemeenten vaak veel persoonsgegevens van een inwoner nodig om a) te kunnen bepalen of er aanspraak bestaat op een maatwerk- of individuele voorziening3Maatwerkvoorziening is het begrip dat in de Wmo 2015 wordt gehanteerd, individuele voorziening is het begrip dat in de Jeugdwet wordt gehanteerd. en b) de verstrekte voorziening(en) aan te laten sluiten bij de persoonlijke situatie van de inwoner. Voorbeelden van de benodigde bijzondere persoonsgegevens zijn – naast NAW-gegevens – gegevens over de gezondheid van de inwoner, het netwerk rondom de inwoner en de financiële situatie. Om de privacy van de inwoner te beschermen moeten er voldoende beschermingsmaatregelen worden genomen om te voorkomen dat onbevoegden de gegevens kunnen inzien en/of gebruiken. Het is belangrijk om zorgvuldig met persoonsgegevens om te gaan. Het recht op privacy geeft uitdrukking aan het belang van mensen om niet te worden blootgesteld aan de ongewenste aandacht van de overheid dan wel van andere mensen, en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van mensen. In de context van het publieke domein speelt de vraag in welke gevallen de toezichthouder gegevens mag verwerken met interne personen en externe instanties of partijen, waaronder personen. De toezichthouder deelt informatie met andere instanties of partijen. Ook zal de toezichthouder regelmatig gegevens opvragen bij andere instanties of partijen. In bepaalde gevallen kan een melding van een signaal van (vermoeden van) onrechtmatigheid worden gedaan of worden doorgezet naar een andere partij. Een voorbeeld hiervan is het doen van een melding van een signaal bij een andere gemeente wanneer uit onderzoek blijkt dat de zorgaanbieder ook werkzaam is in deze gemeente. Dit mag officieel echter niet rechtstreeks, dit moet via Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ). De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) is bij het schrijven van deze beleidsregel nog niet in werking getreden. De wet regelt de positie en rol van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ). Daarnaast zorgt de wet ervoor dat gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren gegevens met elkaar kunnen delen middels het zogeheten Waarschuwingsregister. Hierin kunnen (rechts)personen worden opgenomen waar een gerechtvaardigde overtuiging van fraude over bestaat. Op het eerste oog zijn er geen directe consequenties voor de uitvoering van de toezichtstaken. De precieze consequenties moeten we nog doorgronden. Toezichthouders houden zich bij de uitvoering van hun werkzaamheden aan de AVG. Naast de AVG, gelden rond gegevensuitwisseling tussen de gemeente en andere instanties specifieke bepalingen zoals opgenomen in de Wmo en Jeugdwet. Bij een strafrechtelijk onderzoek geldt het Wetboek van Strafrecht en Strafvordering. Deze regels staan los van de Wmo en de Jeugdwet. De AVG is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de politietaak door de Nationale politie, Koninklijke Marechaussee, bijzondere opsporingsdiensten, buitengewoon opsporingsambtenaren en Openbaar Ministerie. De verwerking van persoonsgegevens door een buitengewoon opsporingsambtenaar van een gemeente valt onder de Wet politiegegevens. Het is verder noodzakelijk dat toezichthouders zich bewust zijn van de wijze waarop hun rechten en plichten zich verhouden tot de geldende privacy kaders. Voor de verwerking van persoonsgegevens door samenwerkingsverbanden moet worden voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en voorzienbaarheid. Het verstrekken van persoonsgegevens is volgens artikel 6 van de AVG niet uitgesloten. Het proportionaliteitsbeginsel betekent dat wanneer het beoogde doel via een minder ingrijpende manier bereikt kan worden, dit op die manier moet gebeuren. Dit betekent ook dat persoonsgegevens niet langer bewaard worden dan noodzakelijk. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van belanghebbende in redelijke verhouding moet staan tot het doel. Zijn de gegevens wel noodzakelijk voor het onderzoek en kunnen ze niet op een andere manier verkregen worden. Verder mag niet meer informatie gevraagd worden dan noodzakelijk. De toezichthouder heeft een geheimhoudingsplicht voor de persoonsgegevens die voor de beroepskracht onder het beroepsgeheim vallen. Deze geheimhoudingsplicht geldt tegenover iedereen. Als het documenten betreft, gaat deze plicht boven de Wet Openbare overheid (WOO voorheen WOB). Deze geheimhoudingsplicht is ook belangrijk voor het verstrekken van gegevens door de betrokken zorgaanbieder en beroepskrachten aan de toezichthouder. Er is per gemeente een Data Protection Impact Assessment (hierna DPIA) om de aanwezige risico’s met betrekking tot privacy te kunnen beheersen en om aan te tonen dat wordt voldaan aan de AVG. Deze wordt nu (ten tijde van het opstellen van deze beleidsregel) aangepast aan de nieuwe positionering van de toezichthouder bij de Regionale Backoffice Lekstroom. In bijlage 1 is de wettelijke grondslag voor het uitwisselen van gegevens voor de Wmo, de Jeugdwet en bij een strafrechtelijk traject opgenomen.

Rechtspraak bij dit artikel