**1..** In de initiatieffase van vergunningsplichtige ruimtelijke ontwikkelingen moet een vooronderzoek op bomen worden uitgevoerd, indien:
in het te ontwikkelen gebied en/of binnen een straal van 50 meter van de projectgrens bomen staan die redelijkerwijs negatief beïnvloed kunnen worden door de ontwikkelingen;
binnen de kroonprojectie van bomen + 1,5 meter daarbuiten (de kwetsbare boomzone) wordt gegraven;
langs mogelijke aanrijroutes van bouwverkeer bomen staan;
er sprake is van bronbemaling die mogelijk negatieve invloed kan hebben op bomen.
**2..** Indien uit het vooronderzoek blijkt dat bijzonder waardevolle bomen, of bomen in gemeentelijk eigendom aanwezig zijn én deze redelijkerwijs negatief beïnvloed kunnen worden door de ruimtelijke ontwikkeling en/of werkzaamheden daaromtrent, dient een volledige BEA te worden uitgevoerd op basis van zowel het voorlopig/schets ontwerp als het definitief ontwerp.
**3..** De BEA omvat in ieder geval een duidelijke beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling, de aanwezige bomen, de locatie van het project en een reële planning en wordt opgesteld door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de bomen te beschikken.
**4..** De vergunningsprocedure kan voortgezet worden indien bevoegd gezag uit de BEA kan herleiden dat:
er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de bomen, eventueel door toepassing van mitigerende maatregelen, waarbij ook wordt getoetst aan beleid;
of:
de compenserende maatregelen in de vorm van een compensatieplan voldoen aan de eisen voor herplant zoals benoemd in artikel 10 (herplantplicht) en artikel 11 (compensatieplan);
of:
er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale en economische aard, met voor de waarden van bomen gunstige effecten.
Hoofdstuk 3:
Artikel 8.
Vooronderzoek en Bomen Effect Analyse bij ruimtelijke ontwikkeling
Onderdeel van Bomenverordening Land van Cuijk 2025