Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.7

Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Loon op Zand 2025

1.. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk de beperkingen kan wegnemen; de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; het een voorziening betreft die de cliënt vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd; het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; de kosten van de voorziening niet in redelijke verhouding staan tot de levensduur van de voorziening; er geen sprake is van meerkosten ten opzichte van de situatie voordat de beperkingen of problemen bestonden; deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; er sprake is van voorzienbaarheid; of een cliënt niet meewerkt aan het onderzoek, waardoor niet kan worden vastgesteld welke voorziening passend is. 2.. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie als deze niet langdurig noodzakelijk is, met uitzondering van hulp bij het huishouden en begeleiding. 3.. Het college verstrekt geen woonvoorziening: als de cliënt in de betreffende woning niet zijn hoofdverblijf heeft; als deze verkrijgbaar is in de reguliere handel; als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; ten behoeve van Wlz-instellingen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; als deze zich in een gemeenschappelijke ruimte bevindt en de cliënt woont in een specifiek voor mensen met een beperking of ouderen bedoeld gebouw; als het een voorziening betreft in gemeenschappelijke ruimte, anders dan automatische deuropeners, hellingenbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie; of als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college. 4.. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, van dit artikel en artikel 2.3.5., zesde lid, van de Wmo 2015 kan het college besluiten om voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar te maken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel