Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.1

Welke gedragingen worden meegewogen

Onderdeel van Beleidsregels beoordeling slecht levensgedrag gemeente Harderwijk

Bij de beoordeling van het levensgedrag worden in de eerste plaats die gedragingen meegewogen die relevant zijn voor de aangevraagde of verleende vergunning. Met betrekking tot een exploitatievergunning voor een openbare inrichting betekent dit, dat de inrichting geëxploiteerd wordt op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, openbare orde of het woon- en leefklimaat. Voor een Alcoholwetvergunning en de aanwezigheidsvergunning komt daar ook bij dat er geen gevaar en/of gezondheidsrisico’s ontstaan door de alcoholverstrekking en de kansspelautomaat. Voor de beoordeling van het levensgedrag van een leidinggevende, exploitant of beheerder in verband met een Alcoholwetvergunning, een exploitatievergunning en aanwezigheidsvergunning zijn in ieder geval de volgende categorieën gedragingen relevant: geweldstoepassing; drugsfeiten; wapenbezit/gebruik; overtredingen van de Alcoholwet of de horecabepalingen van de APV; overtredingen van helingverboden; overtredingen van de Wet op de Kansspelen; valsheid in geschriften, zowel kennelijk gepleegd in de uitoefening van een openbare inrichting dan wel ter verkrijging van een vergunning; gedragingen waaruit blijkt dat tijdens de exploitatie gevreesd wordt dat aanwijzingen van politie of toezichthouders niet nageleefd worden (bijv. negeren bevel ambtenaar in functie, belediging ambtenaar in functie); discriminatie; zedendelicten; mensenhandel, witwaspraktijken, sociale zekerheidsfraude, arbeidsuitbuiting; gedragingen die hebben geleid tot opgelegde bestuurlijke of handhavingsmaatregelen met betrekking tot een openbare inrichting, tenzij deze maatregelen op geen enkele wijze aan de te beoordelen persoon (in bestuursrechtelijke zin) zijn te verwijten; ordeverstoringen, waarbij de te beoordelen persoon betrokken was. Van personen die betrokken zijn geweest bij deze gedragingen moet worden gevreesd dat ze niet op verantwoorde wijze leiding kunnen geven aan of een openbare inrichting kunnen beheren. Voor een Alcoholwetvergunning zijn daarnaast in ieder geval de volgende gedragingen relevant bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden: rijden onder invloed of andere alcohol gerelateerde gedragingen; eerder geconstateerde overtredingen met betrekking tot de Alcoholwet (zoals het niet naleven van het verbod om alcohol te schenken aan minderjarigen); alle gedragingen, voor zover hierboven nog niet genoemd, die vermeld worden in artikel 3.4, eerste lid van het Alcoholbesluit. Deze gedragingen zijn ook relevant indien er geen sprake is van een veroordeling of wanneer niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3.4, tweede en derde lid van voormeld besluit. Deze gedragingen zijn voor een Alcoholwetvergunning relevant, omdat van personen, die verantwoordelijkheid dragen voor het verantwoord schenken van alcohol, verwacht mag worden dat zij zelf geen alcohol gerelateerde overtredingen plegen. Indien dat toch het geval is, betekent dit dat het vertrouwen in een goede naleving van de bepalingen van de Alcoholwet ontbreekt. Zo verhoudt zich het rijden onder invloed niet goed met de taken en verantwoordelijkheden van een leidinggevende van een horecabedrijf. Van deze wordt namelijk verwacht dat hij of zij anderen aanspreekt op hun verantwoordelijkheden en de risico’s van alcoholgebruik. Dit geldt ook voor het verstrekken van alcohol aan minderjarigen. Dit is een ernstige overtreding van de Alcoholwet. Een leidinggevende, die geacht wordt professioneel te zijn, dient verantwoord om te gaan met de verstrekking van alcohol in de openbare inrichting. De gedragingen, genoemd in het Alcoholbesluit, zijn relevant aangezien de wetgever zelf aan deze bepalingen in het Alcoholbesluit belang hecht voor het levensgedrag van personen die op een Alcoholwetvergunning vermeld willen worden. Voor zowel de Alcoholwetvergunning, de aanwezigheidsvergunning, als de exploitatievergunning geldt dat andere dan de hiervoor genoemde (categorieën van) gedragingen alleen worden meegewogen bij de beoordeling van het levensgedrag, voor zover daaruit een zeker patroon ter bevestiging van het slechte levensgedrag valt af te leiden. Het moet daarbij gaan om een herhalend karakter van bepaalde gedragingen of het schenden van regels in algemene zin. Dit kan gedurende een langere periode zijn, waardoor de betrokken gedragingen niet meer op zichzelf staan, maar in combinatie voldoende ernstig zijn om te kunnen worden betrokken bij het levensgedrag. Bijvoorbeeld: als een persoon in het verkeer een stopteken negeert is dat in principe niet relevant voor de horeca-exploitatie. Maar als dezelfde persoon meermaals bevelen of aanwijzingen van politie of BOA’s tijdens de horeca-exploitatie niet opvolgt, dan kan dat negeren van het stopteken wel relevant zijn. Dan duidt het op een patroon van het niet opvolgen van bevelen of aanwijzingen van het gezag. Door deze beleidsregels en de hiervoor gegeven opsomming wordt ook voldaan aan het ‘evidentievereiste’. Voor betrokkenen, die kennis kunnen nemen van deze beleidsregels, is tenslotte vooraf kenbaar door welke relevante feiten en omstandigheden zij niet (langer) kunnen voldoen aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel