Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de wet, weigert het college de subsidie in ieder geval:
als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;
als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als gevolg van een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
Onverminderd het bepaalde in het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:
subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader; of
de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.
Onverminderd het bepaalde in de vorige leden weigert het college de subsidie in ieder geval:
als de doelstellingen of activiteiten van de aanvrager, dan wel het beoogde gebruik van de subsidie discriminatie opleveren of op zullen leveren wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat, seksuele gerichtheid, leeftijd of op welke grond dan ook; of
binnen de organisatie van de aanvrager of binnen de activiteiten waarvoor de aanvrager (mede-)verantwoordelijkheid draagt, discriminatie zoals omschreven onder het derde lid, onder a, plaatsvindt of zal plaatsvinden, en de aanvrager ter voorkoming of beperking hiervan niet die maatregelen treft die onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de aanvrager mogen worden verwacht.
Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan het college de subsidie verder weigeren:
als de aanvrager in eerdere jaren heeft nagelaten een aanvraag tot vaststelling van een subsidie van de gemeente in te dienen;
als gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de activiteiten niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan haar ingezetenen;
als gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de gelden niet, of in onvoldoende mate, ingezet zullen worden voor het doel waarvoor een subsidie beschikbaar wordt gesteld;
als de aanvragende organisatie en/of individuele aanvrager in eerdere jaren tweemaal de in de subsidiebeschikking opgenomen doelstelling (van soortgelijke subsidieaanvragen) naar oordeel van het college niet of onvoldoende heeft behaald;
als gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, goede zeden en/of het algemeen belang of de openbare orde;
als gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een overwegend partijpolitieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke vorming ten doel hebben;
als het een subsidie van € 100.000 of meer betreft en de aanvrager een rechtspersoon is die zich in de bezoldiging van haar bestuurders/topfunctionarissen niet heeft geconformeerd aan de bezoldigingsnorm ingevolge de Wet normering topinkomens, zonder dat daarvoor naar het oordeel van het college zwaarwegende redenen voor aanwezig zijn;
als redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager ook zonder de gevraagde subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan of heeft kunnen beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;
als redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager met uitvoering van de activiteiten beoogt winst te maken;
als redenen bestaan om aan te nemen dat de financiële middelen van de aanvrager, met inbegrip van de subsidie, onvoldoende zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren;
als de aanvrager de behoefte aan de te subsidiëren activiteit niet aannemelijk heeft kunnen maken;
als redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager voor de aangevraagde subsidie reeds door enig bestuursorgaan een subsidie is verstrekt, tenzij er sprake is van cofinanciering zoals bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid;
als redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager niet alle benodigde vergunningen en ontheffingen ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten heeft of zal kunnen verkrijgen;
als de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente of als er naar oordeel van het college onvoldoende reden is om subsidie te verlenen;
als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;
in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob);
als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;
bij subsidieregeling in nader te bepalen gevallen.
Onder discriminatie, zoals bedoeld in het derde lid, wordt voor de toepassing van deze bepaling niet begrepen het onderscheid ter bevordering van kansengelijkheid of om participatie van doelgroepen te bevorderen.
Hoofdstuk 3:
Artikel 12.
Weigerings- en intrekkingsgronden
Onderdeel van ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING LEIDSCHENDAM-VOORBURG 2026