Indien de subsidieontvanger jaarlijks van het college subsidie ontvangt, mogen eventuele exploitatieoverschotten in enig jaar, met schriftelijke toestemming van het college, worden gereserveerd tot een maximum van 10% c.q. € 25.000 van de laatst ontvangen periodieke subsidie. Deze reserve houdt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de wet in, waarop bovendien artikel 4:72 van de wet van toepassing is.
Indien een reserve als bedoeld in het eerste lid van dit artikel is opgebouwd, dient te subsidieontvanger deze reserve gedurende een periode van 3 jaar aan te wenden om eventuele exploitatietekorten in deze jaren op te vangen.
Bij subsidieregeling of, indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, bij de verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voordoet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe door het college de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. In geval van ontbinding van de rechtspersoon die subsidie ontvangt, vervalt het batig saldo van de liquidatierekening – gelimiteerd tot het bedrag dat opgebouwd is met (behulp van) gemeentelijke subsidie – aan de gemeente.
Als een subsidieontvanger niet de gehele subsidie besteed aan de activiteit waarvoor deze wordt ontvangen, kan de subsidieontvanger toestemming vragen aan het college om het restant op te nemen in een bestemmingsreserve. Middelen uit de bestemmingsreserve moeten voor dezelfde activiteit worden ingezet en zijn daarmee niet vrij besteedbaar.
Hoofdstuk 6:
Artikel 25.
Reserves en vermogensvorming
Onderdeel van ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING LEIDSCHENDAM-VOORBURG 2026