Mandaat wordt niet gebruikt:
als de schijn van vooringenomenheid of belangenverstrengeling wordt gewekt;
als de (onder)gemandateerde een particulier belang heeft bij het gebruik van het mandaat;
voor de in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g of h, van de Gemeentewet genoemde bevoegdheden, als de uitoefening daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente;
om van geldend beleid af te wijken.