Voor het beoordelen van de mate van participatie moet beoordeeld worden in hoeverre iemand kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 6 en 123). De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149‑150). In het algemeen kan gezegd worden dat door het verstrekken van een vervoersvoorziening of dagactiviteiten iemand in redelijke mate kan participeren.
Hoofdstuk 11 › Paragraaf 11.11
Artikel 11.11.1
Participatie in de Wmo 2015
Onderdeel van Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Urk 2025