Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Afdeling 4

Artikel 4.31

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Renswoude 2009, incl. 1e wijziging

In deze afdeling wordt verstaan onder: afvalwater: te lozen water, waarin al dan niet afvalstoffen als bedoeld onder B voorkomen. afvalstoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; riolering: het gemeentelijk rioleringstelsel, met inbegrip van de daartoe behorende rioolgemalen en persleidingen en andere openbare werken en installaties van overeenkomstige aard, uitgezonderd straatkolken en particuliere aansluitingen; waterbeheer: de beheerder van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of van enig ander werk waarop de riolering is aangesloten, dan wel het gezag dat bevoegd is tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, tot het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater waarop de riolering uitkomt; werk: vast aanwezige voorziening, waarmee stoffen direct of indirect in de riolering kunnen worden gebracht; inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen activiteit die binnen zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Artikel 4.32 Verbod te lozen op een straatkolk Het is verboden afvalwater op afvalstoffen met gebruikmaking van een straatkolk of een inspectieput te lozen op de riolering. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op de lozing op een straatkolk die in het kader van normaal huishoudelijk gebruik op een straatkolk plaatsvindt. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. BEPALINGEN TER UITVOERING VAN DE DOOR DE WATERBEHEERDER AAN DE GEMEENTE GEGEVEN VOORSCHRIFTEN Artikel 4.33 Vergunningplicht Het is verboden een inrichting die door middel van een werk afvalwater of afvalstoffen op de riolering kan lozen of loost zonder daartoe verleende vergunning van het college: op te richten of in werking te hebben; uit te breiden of te wijzigen voor zover dit kan leiden tot een wijziging van de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheden van het te lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen, dan wel tot een wijziging van de tijdsduur van de lozing. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen die behoren tot een door het college aangewezen categorie, waarvoor door het college nadere regels zijn gesteld. Van het oprichten, het in werking hebben of het uitbreiden dan wel wijzigen geeft degene die de inrichting drijft kennis volgens de regels van artikel 4.34. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen waarvan de lozing uitsluitend bestaat uit met huishoudelijk afvalwater overeenkomend bedrijfsafvalwater. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel 4.34 Kennisgevingsplicht Degene die voornemens is een inrichting op te richten, behorende tot een door het college krachtens artikel 4.33, tweede lid, aangewezen categorie, moet hiervan 8 weken voor het oprichten aan het college schriftelijk kennis geven met inachtneming van hetgeen hierna daaromtrent bepaald is. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van een inrichting behorende tot een door het college krachtens artikel 4.33, tweede lid aangegeven categorie voor zover dit kan leiden tot een wijziging van de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van het te lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen, dan wel een wijziging van de tijdsduur van de lozing. Een kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt ondertekend en ingediend door degene die de inrichting drijft. Kennisgevingen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden schriftelijk ingediend in tweevoud en bevatten in elk geval: naam en adres van degene die de inrichting drijft; een opgave van de wijze van lozen, waaronder een nauwkeurige opgave van hemel- en afvalwaterstromen binnen de inrichting alsmede een nauwkeurige karakterisering van het te lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen naar samenstelling, eigenschappen en hoeveelheden; de maatregelen die zijn of zullen worden getroffen om de belasting van het milieu die de lozing kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken. Het college is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot de inhoud van de kennisgeving en daarbij over te leggen bescheiden. Het bepaalde in eerste en tweede lid geldt niet voor inrichtingen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid van Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel 4.35 Nadere regels en voorschriften Voor inrichtingen waarvoor de kennisgevingplicht als bedoeld in artikel 4.34 eerste en tweede lid van toepassing is, gelden de nadere regels opgenomen in het besluit van het college, krachtens artikel 4.33, tweede lid. Het college kan met betrekking tot inrichtingen als bedoeld in het eerste lid, voorschriften opleggen ter uitvoering van de door de waterbeheerder aan de gemeente gegeven voorschriften. Het college kan lozing vanuit een inrichting, als bedoeld in het eerste lid, verbieden indien voorschriften redelijkerwijze de uitvoering van de door de waterbeheerder aan de gemeente gegeven voorschriften niet kunnen waarborgen. Artikel 4.36 Verbodsbepalingen Het is degene bedoeld in artikel 4.34, eerste en twee lid, verboden een inrichting die door middel van een werk afvalwater of afvalstoffen op de riolering kan lozen of loost op te richten, in werking te hebben, uit te breiden of te wijzigen, voor zover dit kan leiden tot een wijziging van de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van het te lozen afvalwater of de te lozen afvalstoffen, dan wel een wijziging van de tijdsduur van de lozing: zonder de kennisgeving gedaan op grond van artikel 4.4.34; in afwijking van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens; in strijd met de nadere regels die krachtens artikel 4.35, eerste lid, van toepassing zijn; in strijd met de voorschriften die het college krachtens artikel 4.35, tweede lid, hebben opgelegd. Artikel 4.37 Vangnetbepaling Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.32 tot en met 4.36 is het verboden op de riolering op enigerlei wijze afvalwater te lozen dat, of afvalstoffen te lozen die door samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid: gevaar, schade of hinder kunnen opleveren voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk dat de waterbeheerder in beheer heeft en waarop de riolering is aangesloten of voor de goede werking daarvan; schadelijk of verontreinigend kunnen zijn voor het ontvangen van oppervlaktewater. BEPALINGEN TER BESCHERMING VAN DE RIOLERING EN DE GOEDE WERKING DAARVAN Artikel 4.38 Algemene regels Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.32 tot en met 4.37 is het verboden op de riolering op enigerlei wijze afvalwater te lozen dat of afvalstoffen te lozen die door samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid: gevaar, schade of hinder kan (kunnen) opleveren voor de riolering, dan wel de goede werking daarvan, of voor de daarop aangeslotenen; een nadelige invloed kan (kunnen) hebben op de verwerking van het uit het riool te verwijderen slib. Het is in het bijzonder verboden op de riolering afvalwater of afvalstoffen te lozen: met een temperatuur van meer dan 30ºC; met een zuurgraad, uitgedrukt in waterstofionenexponent (PH) lager dan 6,5 of hoger dan 10,0 alsmede zuren en basen die niet in water zijn opgelost; met sulfaatconcentratie van meer dan 300 mg per liter; dat (die) verstoppingen of beschadigingen van de riolering of daarmee verbonden installaties kan (kunnen) veroorzaken; dat (die) worden versneden door middel van versnijdende apparatuur, tenzij het stoffen betreft die ook zonder te zijn versneden geloosd mogen worden; dat (die) brand- of explosie kan (kunnen) veroorzaken; dat (die) stankoverlast kan (kunnen) veroorzaken; dat (die) voorafgaande aan de lozing door een beerput, rottingsput of septictank is (zijn) geleid. Het is verboden op een regenwaterriool op enigerlei wijze ander afvalwater te lozen dan niet-verontreinigd hemelwater. Ten behoeve van controle op lozingen dienen een of meer doelmatige controlevoorzieningen te zijn aangebracht. Het in het tweede lid, sub a tot en met c en vierde lid bepaalde geldt niet voor het lozen van afvalwater of afvalstoffen in het kader van het normale huishoudelijke gebruik dat van een woonruimte wordt gemaakt. Het college kan voorschriften opleggen ter bescherming van de kwaliteit van het rioolslib, van de riolering, en de goede werking daarvan. Het is verboden afvalwater of afvalstoffen op de riolering te lozen in strijd met de voorschriften, als bedoeld in het zesde lid. ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE ONTHEFFING, VERGUNNING EN VOORSCHRIFTEN Artikel 4.39 Aanvraag vergunning of ontheffing Een aanvraag om vergunning of ontheffing kan mondeling worden ingediend, indien in verband met het spoedeisende karakter van de zaak, het schriftelijk indienen hiervan niet kan worden gevergd. Artikel 4.40 Advisering van de waterbeheerder over de vergunningsaanvraag Tenzij het college reeds bij een eerste beoordeling van de aanvraag menen dat de vergunning behoort te worden geweigerd, stellen zij, onder overlegging van de aanvraag en de daarop betrekking hebbende bescheiden, de waterbeheerder in de gelegenheid hun van advies te dienen omtrent de aanvraag. Indien met het oog op het geheel of gedeeltelijk inwilligen van de aanvraag een wijziging of aanvulling van de aan de gemeente gegeven voorschriften voor het brengen van het rioolwater in oppervlaktewater of naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten noodzakelijk is, dienen het college binnen 4 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen, onderscheiden na de dag waarop de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde aanvulling of verbetering is ontvangen een daartoe strekkend verzoek schriftelijk in bij de waterbeheerder. Van de indiening als bedoeld in het tweede lid geeft het college kennis aan de aanvrager van de vergunning. Artikel 4.41 Beslissingstermijn vergunning Het college beslist over een aanvraag om vergunning binnen 17 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is, onderscheidenlijk na de dag waarop de in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde aanvulling of verbetering is ontvangen. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslist het college binnen 4 weken na het van kracht worden van de beslissing van de waterbeheerder als bedoeld in artikel 4.40, tweede lid of van een daarvoor in de plaats getreden beslissing in beroep indien deze beslissing genomen wordt later dan 13 weken na de dag waarop de aanvraag in behandeling is genomen. Het college kan hun beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. Van het besluit tot verdaging wordt vóór de afloop van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager en aan de waterbeheerder. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid kan het college, indien er gecoördineerde behandeling van de lozingsvergunning en de vergunning op grond van de Wet milieubeheer naar het oordeel van het college noodzakelijk is, de procedure van de totstandkoming van de vergunning uit hoofdstuk 13 Wet milieubeheer (Stb. 1992, 551) van overeen-komstige toepassing verklaren. Zij geven de aanvrager en de waterbeheerder binnen twee weken hiervan bericht. Artikel 4.42 Toezending beschikking Het college zendt een afschrift van de beslissing tot aanvraag, intrekking of wijziging aan de waterbeheerder en de regionale inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu. Indien de vergunning wordt verleend, wordt bij de beschikking een gewaarmerkt exemplaar van de op de vergunning betrekking hebbende aanvraag gevoegd. Artikel 4.43 Anticipatie op toekomstige ontwikkelingen Het college houdt bij hun beslissingen op de aanvraag om vergunning rekening met de te verwachten ontwikkelingen in de lozingen op de riolering en in het bijzonder met die welke veroorzaakt kunnen worden door: redelijkerwijze binnen afzienbare tijd te verwachten wijzigingen in de lozingen waarvoor vergunning wordt gevraagd; voorgenomen lozingen van derden. Artikel 4.44 Tijdsduur vergunning De vergunning kan voor een bepaalde termijn worden verleend indien: de lozing een tijdelijk karakter zal hebben; een aan de gemeente verleende vergunning voor het brengen van het rioolwater in oppervlaktewater of naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten, tot het verlenen van een vergunning voor een bepaalde termijn noopt. Na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het eerste lid blijft de vergunning van kracht zo lang een tijdig ingediende aanvraag om verlenging niet is beslist. Artikel 4.45 Zakelijk karakter vergunning De vergunning geldt zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsverkrijgende. Van de rechtsovergang geeft de rechtsverkrijgende binnen 26 weken na datum daarvan schriftelijk kennis aan het college. Artikel 4.46 Weigering vergunning De vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: het verlenen van de vergunning in strijd zou zijn met de voorschriften welke door de waterbeheerder aan de gemeente zijn gegeven, een verzoek van de gemeente tot wijziging van deze voorschriften is afgewezen en de afwijzing onherroepelijk is geworden; het rioolstelsel niet over voldoende capaciteit beschikt om de aangevraagde hoeveelheid afvalwater of afvalstoffen te kunnen lozen. Artikel 4.47 Intrekking of wijziging van vergunning De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens blijken te zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming, waarvan de vergunning is vereist; indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zijn worden nagekomen; indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijnstelling, binnen of gedurende een redelijke termijn; indien de vergunninghouder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt; indien de rechtsverkrijgende niet binnen de in artikel 4.45, tweede lid gestelde termijn van de rechtsovergang schriftelijk kennis heeft gegeven aan het college. Een besluit kennis tot intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, sub a en b wordt niet genomen nadat de waterbeheerder in de gelegenheid binnen een door het college te bepalen termijn hun oordeel kenbaar te maken omtrent het voornemen tot het nemen van dit besluit. Artikel 4.48 Procedure ontheffing Voor het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4.32, derde lid, is het bepaalde in de artikelen 4.41 tot en met 4.47 en artikel 4.50 van toepassing met dien verstande dat de in artikel 4.41, eerste lid, genoemde termijn drie weken bedraagt. Artikel 4.49 Bepalingen betreffende nadere voorschriften Het college kan voorschriften als bedoeld in artikel 4.35, tweede lid, en artikel 4.38, zesde lid al dan niet voor een bepaalde termijn opleggen. Het college kan, spoedeisende gevallen uitgezonderd, voorschriften niet opleggen dan nadat degene aan wie deze voorschriften zullen worden opgelegd in de gelegenheid is gesteld binnen een door het college te stellen termijn zijn oordeel hierover kenbaar te maken. Alvorens het college op grond van artikel 4.35, tweede lid voorschriften opleggen, stellen zij de waterbeheerder in de gelegenheid hun daarover van advies te dienen. Het bepaalde in de artikelen 4.42, 4.43, 4.45 en 4.47 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.50 Termijnen Met betrekking tot de in deze afdeling genoemde termijnen is het bepaalde in de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 4.51 Verstrekken van inlichtingen en dergelijke Een ieder is verplicht aan de ambtenaren belast met de zorg voor de naleving van één of meer bepalingen Van deze afdeling alle medewerking te verlenen en op eerste vordering alle inlichtingen te verstrekken, inzage te verschaffen in bescheiden en hen in de gelegenheid te stellen daarvan afschrift te nemen, een en ander voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Artikel 4.52 Kennisgeving van bijzondere omstandigheden Indien wordt vastgesteld of het vermoeden bestaat dat door bijzondere omstandigheden zoals storing in het productieproces afvalwater wordt geloosd of zal worden geloosd dat door samenstelling eigenschappen of hoeveelheid: gevaar, schade of hinder oplevert voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten of voor de goede werking daarvan; schadelijk of verontreinigend is voor het ontvangende oppervlaktewater; gevaar, schade of hinder oplevert voor de riolering, dan wel de goede werking daarvan of voor de daarop aangesloten; een nadelige invloed heeft op de verwerking van het uit de riolering verwijderde slib, is degene die afvalwater op de riolering loost verplicht kennis te geven aan het college of een daartoe door hen aangewezen ambtenaar en onmiddellijk alle maatregelen te nemen die gevaar, schade of hinder kunnen beperken. Het college dan wel krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaar doen van de in dat lid bedoelde kennisgeving terstond melding aan de waterbeheerder, indien de bijzondere omstandigheden, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, gevaar, schade of hinder kunnen opleveren voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie of het ontvangende oppervlaktewater. Artikel 4.53 Nemen van monsters De in artikel 4.51 en artikel 6.2 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de lozing van afvalwater of afvalstoffen in de riolering te meten, alsmede monsters daarvan te nemen, een en ander voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. De resultaten van de metingen, alsmede de uitslag van het onderzoek van de monsters worden ten spoedigste ter kennis van de betrokken lozers gebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel