**1..** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin
van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke
uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid,
die voortvloeit uit enig dienstverband van
betrokkene;
WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;
betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2
van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is
verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling
van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten tijde van
dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met
uitzondering van degene die zijn resterende
verdienvermogen volledig benut in een of meer
aangehouden betrekkingen;
bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5,
eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te
verlenen;
suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;
dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van
de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
Coordinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het
bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de
Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, en in
voorkomend geval verminderd met bijdragen strekkende tot
betaling van de premie van een door of voor de
betrokkene afgesloten particuliere
ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede
lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
Dagloonregelen WAO;
berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van
betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter
zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend,
voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de
betrekking waaraan het recht op suppletie wordt
ontleend;
werkloosheidsuitkering een periodieke uitkering ter zake
van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig
dienstverband van betrokkene.
**2..** Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
genomen.