Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1

Artikel 3.4

Voorwaarden individuele voorziening

Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Haarlem 2025

1.. Het college kent een individuele voorziening toe wanneer in het jeugdhulpplan wordt vastgesteld dat de jeugdige: Zelfstandig geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden met zijn ouder(s) of andere personen uit zijn sociaal netwerk en de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn; Geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening, of; Geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening. 2.. Voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt geacht aanwezig te zijn, in de volgende situaties: De hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 1 van deze verordening; De hulpvraag een periode van minder dan zes maanden bedraagt, met uitzondering van behandeling; Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijv. vanwege lichamelijke handicap of psychosociale problematiek, dan hoort de ondersteuning van de ouder onder de Wmo, ook als de jeugdige een handicap heeft. De hulp gericht op de jeugdige is wel jeugdhulp. 3.. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen worden onvoldoende aanwezig geacht te zijn in de volgende situaties: De ouder(s) zijn volgens een objectief meetinstrument overbelast; Er voor een jeugdige van vijf jaar en ouder 24 uur per dag toezicht nodig is ter voorkoming van ernstig nadeel. 4.. Van ouders wordt verwacht dat zij hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen versterken door: Oorzaken van overbelasting waar mogelijk weg te nemen; Het belang van hun kind voor het belang van de (werk)carrière te stellen; Zorgverlof en andere soorten verlof in te zetten; Werktijden waar mogelijk aan te passen; Gebruik te maken van de opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen; Het sociaal netwerk waar mogelijk in te zetten en te werken aan het vergroten van het sociaal netwerk; De jeugdige, indien mogelijk, voltijds onderwijs te laten volgen; De eigen problematiek te verminderen, bijvoorbeeld door het inzetten van begeleiding en coaching trajecten vanuit het preventief aanbod, een beroep doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling, het verminderen van scheidingsproblematiek e.d.

Rechtspraak bij dit artikel