In dit artikel in de verordening worden twee onderwerp besproken: eisen rondom het in behandeling nemen van een aanvraag en voorwaarden van een individuele voorziening jeugdhulp. Het eerste onderdeel heeft in de verordening vier leden en het tweede onderdeel heeft in de verordening twee leden. Dit zorgt voor tweemaal een omschrijving van het eerste lid in de tekst hieronder. Om verwarring te voorkomen wordt hieronder het onderdeel aangekondigd.
Een aanvraag voor een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet wordt in behandeling genomen:
Eerste lid
De verwijzer en de jeugdhulpaanbieder vermelden in het verslag voor iedere jeugdige vanaf zestien jaar expliciet hoe lang de ondersteuning naar verwachting nog nodig is. Indien naar verwachting ook na het 18e jaar nog hulp nodig is, wordt nagedacht op welke wijze en via welke wet (en financieringsstroom) dit vorm krijgt (Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo), Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Verlengde Jeugdhulp en/of voorliggend veld). Uiterlijk bij de leeftijd van zeventien en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het achttiende levensjaar. Dit wordt vastgesteld in een Perspectiefplan. Het Perspectiefplan wordt vastgesteld conform de procedure zoals beschreven in artikel 4.3 Verslag.
Wanneer een jeugdige achttien jaar wordt, is het mogelijk dat zijn woonplaats verandert en dat een andere gemeente verantwoordelijk wordt voor de jeugdhulp conform de geldende wet- en regelgeving. Deze controle wordt actief meegenomen in de procedure.
Derde lid
In artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet staat dat de jeugdhulp niet hoeft te worden ingezet als de ouders de problematiek uit de aanvraag zelf kunnen oplossen. In de verordening wordt daaraan gerefereerd als ‘gebruikelijke zorg’. Ouders horen jeugdigen uit het gezin tot achttien jaar te verzorgen, op te voeden, toezicht te bieden en een beschermende woonomgeving te bieden, ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Het bieden van deze zorg is niet vrijblijvend, verwacht wordt van de ouders dat zij de hulp verstrekken die nodig is. De hulp moet behoren tot de mogelijkheden van de ouders (eigen kracht). Bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht. Dat kan worden afgeleid uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen kracht (zie CRvB 17-7-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
Om te kunnen beoordelen of ouders en/of andere personen uit het sociaal netwerk een rol kunnen spelen in gebruikelijke zorg wordt een objectief afwegingskader gebruikt. Wat wel kan en wat niet, vereist een uiterst casuïstische beoordeling. Juist daarom is een zorgvuldig onderzoek dat voldoet aan de kaders van het stappenplan van de CRvB (1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477) ook zo belangrijk. Hiervoor sluiten wij aan bij meest actuele CIZ-indicatiewijzer en/of Werkinstructie indicatiestelling jeugd-ggz en/of Richtlijn gebruikelijke zorg uit de Beleidsregels Wet langdurige zorg.
Onderzoeksfactoren eigen kracht en gebruikelijke en bovengebruikelijke zorg.
De onderzoeksfactoren zouden samengevat kunnen worden in de volgende vragen:
Zijn de ouders in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
Zijn de ouders beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
Levert het bieden van de hulp door de ouders geen overbelasting op?
Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouders wordt geboden?
Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouders de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op een van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.
Zorgvuldig onderzoek
De CRvB oordeelde (ECLI:NL:CRVB:2019:2362) dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering wanneer de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders (en het sociaal netwerk) toereikend zijn om zelf de aangevraagde hulp en ondersteuning te kunnen bieden als er gekeken is naar de behoeften en de mogelijkheden van de jeugdige, de voor hem benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan, de mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van zijn ouders, de samenstelling van het gezin en de woonsituatie, en het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen.
Vierde lid
Het college beoordeelt bij elke aanvraag of sprake is van een voorliggende voorziening. Voorliggend op de Jeugdwet is zorg of ondersteuning al dan niet op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wlz, Zvw, Wmo en de Wet passend onderwijs (Wpo). Alleen wanneer geen voorliggende voorziening passend en toereikend is, kan een voorziening vanuit de Jeugdwet worden ingezet.
Daarnaast zijn de volgende voorwaarden van toepassing op een individuele voorziening jeugdhulp:
Eerste lid
De gemeente Maasdriel gaat uit van de goedkoopst adequate voorziening. Hierbij gaat het allereerst om de meest adequate zorg (hiermee bedoelen we kwalitatief goede en passende hulp), maar als tweede ook om de goedkoopste uitvoering hiervan. Hiermee borgen we zoveel mogelijk zowel de financiële mogelijkheden van de gemeente om alle jeugdigen die dit nodig hebben zorg te bieden, als ook de kwalitatief goede en passende hulp voor de inwoners.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3
Voorwaarden individuele voorzieningen jeugdhulp
Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp gemeente Maasdriel 2024