Onder de leerwerkplek wordt verstaan het tijdelijk verrichten van onbeloonde additionele arbeid (zoals bedoeld in artikel 10a van de wet) door een uitkeringsgerechtigde met behoud van uitkering in het kader van een re-integratietraject gedurende maximaal tweeëndertig uren per week. De leerwerkplek is een voorziening bestemd voor de uitkeringsgerechtigde die eerst algemene- en werknemerscompetenties moet ontwikkelen, voordat hij tot het verrichten van beloonde arbeid in staat is. Voordat tot plaatsing op een leerwerkplek wordt overgegaan, biedt het college aan de uitkeringsgerechtigde de mogelijkheid om gehoord te worden over deze voorgenomen plaatsing. Periodiek kan steekproefsgewijs onderzocht worden of het verrichtte werk inderdaad additioneel is gebleken.
De eerste drie maanden van een leerwerkplek worden aangemerkt als een oriëntatieperiode. In deze periode worden de ontwikkeldoelen van de leerwerkplek en aard en omvang van de begeleiding door werkgever en de gemeente vastgelegd. In overleg met de uitkeringsgerechtigde en werkgever kan worden afgesproken dat gedurende de oriëntatieperiode nog geen sprake is van het verrichten van werkzaamheden.
Het college beoordeelt negen maanden na plaatsing op een leerwerkplek aan de hand van een ontwikkelplan of de leerwerkplek de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot. Is dat het geval dan wordt de leerwerkplek na afloop van één jaar met nog één jaar voortgezet. De leerwerkplek kan tussentijds ook bij een andere werkgever worden ingezet.
Het college kan vóór afloop van het tweede jaar na plaatsing op een leerwerkplek besluiten de leerwerkplek nog gedurende één jaar voort te zetten, alleen als dit, met het oog op in de persoon gelegen factoren, de kans op arbeidsinschakeling aanmerkelijk zal verbeteren. Voorwaarde daarbij is het inzetten van de leerwerkplek bij een andere werkgever dan die in het tweede jaar.
Het college kan vóór afloop van het derde jaar na plaatsing op een leerwerkplek besluiten de leerwerkplek nog gedurende één jaar voort te zetten alleen als dit, met het oog op in de persoon gelegen factoren, de kans op arbeidsinschakeling aanmerkelijk zal verbeteren. Voorwaarde daarbij is het inzetten van de leerwerkplek bij een andere werkgever dan die in het derde jaar.
Het college regelt bij uitvoeringsbesluit de voorwaarden waaronder de duur van de leerwerkplek na respectievelijk één, twee en drie jaar kan worden voortgezet.
Indien de uitkeringsgerechtigde niet in het bezit is van een startkwalificatie wordt uiterlijk zes maanden na plaatsing op een leerwerkplek beoordeeld in hoeverre een vorm van scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.
Het college verstrekt elke zes maanden aan de uitkeringsgerechtigde een premie, indien:
- hij in die zes maanden naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling en
- de leerwerkplek in die periode niet langer dan gedurende één kalendermaand onderbroken is geweest, tenzij dit in het individuele geval in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid.
Gedurende de oriëntatieperiode van drie maanden bouwt de uitkeringsgerechtigde nog geen recht op premie op. Na plaatsing op een leerwerkplek ontvangt de uitkeringsgerechtigde na negen maanden een eerste premie; vervolgens ontvangt de uitkeringsgerechtigde elke zes maanden een premie, indien en voor zover hij nog aan de leerwerkplek deelneemt. De premie bedraagt 225 euro per half jaar bij de maximale omvang van de leerwerkplek van tweeëndertig uur. Bij een geringere omvang van de leerwerkplek wordt de premie naar rato verminderd.
De premie wordt geweigerd indien de uitkeringsgerechtigde de verplichtingen die aan de leerwerkplek zijn verbonden in de voorafgaande zes maanden heeft geschonden.
Artikel 4A is niet van toepassing op de persoon die jonger is dan 27 jaar.