In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
RVV 1990: het reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990;
wet: Wegenverkeerswet 1994;
motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;
gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter, is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km per uur bedraagt, en geen bromfiets is;
parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaats aangeduid met bord E6 uit bijlage I van het RVV 1990 waar uitsluitend mag worden geparkeerd door:
een gehandicaptenvoertuig;
een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige Europese Gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht of
indien de gehandicaptenparkeerplaats is gereserveerd voor een bepaald voertuig, dat voertuig;
bestuurder: degene die het motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig bestuurt;
geneeskundig onderzoek; het geneeskundig onderzoek wordt gelet op artikel 3 van de de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart verricht door de GGD dan wel door een vanwege het bevoegd gezag aangewezen deskundige;
Regeling Gehandicaptenparkeerkaart: wettelijk kader ten behoeve van het gehandicaptenkaart parkeren;
Europese Gehandicaptenparkeerkaart: ontheffing om te kunnen parkeren op algemene gehandicaptenparkeerplaatsen als bedoeld in artikel 26, eerste lid onder b RVV;
college: college van burgemeester en wethouders;
stallingsplaats: Een plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaande of toegankelijk.
parkeerplaats op eigen terrein: een parkeerplaats op maaiveld, op een terrein, in een garagebox of in een garage waarover de aanvrager kan beschikken op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of volgend uit een bouw- of omgevingsvergunning, dan wel een voormalige parkeerplaats op eigen terrein die door of vanwege de aanvrager een andere bestemming dan die van parkeerplaats heeft gekregen. Een parkeerplaats op eigen terrein dient ten minste 2,30 meter bij 5,50 meter te zijn, in een garagebox dient dit ten minste 2,65 meter bij 5,50 meter te zijn.
maximale loopafstand: de maximaal zelfstandig te overbruggen afstand, zoals is geïndiceerd door de keuringsarts bij de medische keuring in het kader van de aanvraag gehandicaptenparkeerkaart, danwel een door consulent WMO van de gemeente Oss vastgestelde, daarvan afwijkende afstand, indien zich sinds het tijdstip van dit medische keuring significante wijzigingen in de gezondheidstoestand hebben voorgedaan; om de maximale loopafstand te bepalen wordt gemeten vanaf de voordeur van de woning of de wooneenheid. Voor aanvragers die wonen in een appartementencomplex, wordt gemeten vanaf de toegangsdeur tot het complex.