Een standplaatsvergunning of ontheffing kan worden ingetrokken:
bij bedrijfsbeëindiging of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder;
na diens overlijden, als geen aanvraag is gedaan tot het overdragen van de vergunning als bedoeld in artikel 8 lid 3;
indien de vergunninghouder – zonder ontheffing - gedurende twee aaneengesloten maanden geen gebruik heeft gemaakt van de vergunning;
vanwege zwaarwegende algemene distributieplanologische redenen;
als de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.