Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan van het opleggen van de boete afzien of kan een boete matigen indien de overtreder aannemelijk maakt dat het opleggen van de boete een onevenredig zware sanctie is op basis van: de ernst van de overtreding; de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan; de omstandigheden waarin de overtreder verkeert; 2.. Van een situatie als bedoeld in het vorige lid kan in beginsel slechts sprake zijn, indien bijzondere omstandigheden van toepassing zijn, waarmee bij de vaststelling van deze beleidsregels geen rekening is gehouden. 3.. Van een bijzondere situatie zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel is in ieder geval geen sprake indien de overtreder: al eerder eenzelfde overtreding in de zin van artikel 4.17 van de wet heeft begaan; de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet zegt te begrijpen, daaronder mede begrepen vanwege (vast)gestelde onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal; stelt niet op de hoogte zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.17 van de wet; niet aantoonbaar stelt reeds in een eerder stadium aan zijn verplichting te hebben voldaan; stelt door slechte postbezorging of gebreken aan of ontbreken van een brievenbus geen post te hebben ontvangen; aangemerkt wordt als gelegenheidsgever, die een verklaring heeft getekend dat de andere persoon woont op zijn adres, terwijl vastgesteld is dat die persoon er niet woont; aangemerkt wordt als gelegenheidsgever in de zin van sub f van dit lid en stelt dat de andere persoon niet langer op het adres woont, terwijl hij niet aantoont dat de andere persoon recentelijk verhuisd is naar een ander adres of vertrokken is naar het buitenland en daarvan nog niet binnen de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 2.39 en 2.43 van de wet aangifte heeft gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel