Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3.3

Inkomstenverrekening

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz van de Gemeente Amsterdam

Bij de vaststelling van aanspraak op aanvullende bijstand op grond van de Participatiewet houdt het college rekening met de middelen, zoals omschreven in artikel 31, eerste en tweede lid van de Participatiewet, en het netto inkomen, zoals beschreven in artikel 31, derde lid van de Participatiewet. Het college rekent niet tot de middelen vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, evenals onkostenvergoedingen, tenzij deze tot het fiscaal loon worden gerekend; Om het netto inkomen te bepalen en om automatische inkomstenverrekening mogelijk te maken, maakt het college gebruik van een generiek standaardpercentage voor de heffing Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten/Werkhervattingskas (WGA/WHK), dat elk jaar opnieuw wordt vastgesteld op de volgende wijze: het gemiddelde premiepercentage, zoals vermeld in de premiewijzer van het UWV; vermenigvuldigd met drie; gedeeld door twee. Als door toepassing van het generiek standaardpercentage de belanghebbende er financieel nadeel van ondervindt, dan houdt het college rekening met het daadwerkelijk toegepaste heffingspercentage. Dit artikel komt te vervallen, zodra in de Participatiewet of een daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling, de voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel