Een gemeente hoeft geen hulpmiddelen te verstrekken als iemand in een Wlz-instelling woont. Daarom kan een gemeente bij verhuizing naar een Wlz-instelling alle hulpmiddelen thuis, inclusief een pgb daarvoor, innemen of beëindigen. Maar dit heeft mogelijk onwenselijke gevolgen, zoals iemand met een Wlz-indicatie die problemen kan ondervinden als hij of zij thuis logeert maar geen til- of traplift meer heeft. Daarom hebben brancheorganisaties, de VNG en het Rijk bestuurlijke afspraken gemaakt over het thuis behouden van Wmo-hulpmiddelen. Het college volgt deze afspraken (versie 17 juli 2023) waarin de werkwijze en de verantwoordelijkheid van de verschillende partijen staan.
Op hoofdlijnen zijn de afspraken:
Dat de cliënt de intentie heeft om minstens 18 dagen per jaar thuis te logeren;
Dat het alleen gaat om Wmo-hulpmiddelen die:
al aanwezig zijn op het moment van verhuizen;
een inwoner niet vanuit de zorginstelling kan meenemen naar huis. De zorginstelling bepaalt wat kan worden meegenomen;
Dat mobiliteitshulpmiddelen zoals een rolstoel en aangepaste fiets hier niet onder vallen omdat deze hulpmiddelen niet twee keer worden verstrekt;
Dat een traplift hier ook onder valt, ondanks dat dit geen hulpmiddel, maar een woningaanpassing is;
Dat het ook gaat om hulpmiddelen die moeten worden onderhouden, gerepareerd of vervangen;
Dat als de afspraken niet zorgen voor een specifieke oplossing, de partijen samen naar een passende oplossing zoeken binnen de bedoeling van de afspraken.
Hoofdstuk 6 › Paragraaf 6.4
Artikel 6.4.5.2
Bestuurlijke afspraken over hulpmiddelen bij logeren thuis
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Zevenaar 2024