**1..** Het college onderzoekt de melding. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij sprake is van de situatie bedoeld in het zevende lid van dit artikel.
**2..** Het college onderzoekt in samenspraak met de cliënt en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger en/of familie, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding:
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
het gewenste resultaat van de hulpvraag;
de mogelijkheden om een oplossing voor de hulpvraag te vinden op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, een algemeen gebruikelijke voorziening en/of een algemene voorziening;
de mogelijkheid om een oplossing voor de hulpvraag te vinden op eigen financiële kracht;
de mogelijkheden om met mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk of het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheid om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
welke bijdragen in de kosten de cliënt voor maatschappelijke ondersteuning verschuldigd zal zijn, en
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
**3..** Huisgenoten van de cliënt kunnen worden verzocht aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder lid 1 genoemde onderzoek.
**4..** Bij de beoordeling als bedoeld in het eerste lid, onder c. wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:
de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten;
de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten;
de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;
de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;
overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.
**5..** Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.
**6..** Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
**7..** Het college kan in overleg met de cliënt afzien van een gesprek als:
de hulpvraag genoegzaam bekend is;
een deskundige bedoeld in artikel 4 van deze verordening wordt ingeschakeld die het gesprek namens het college voert.
Hoofdstuk 2
Artikel 3.
Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning De Bilt 2025