Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden onder andere in het belang van: de bescherming van de openbare orde; de bescherming van de bodem; het waarborgen van de veiligheid van burgers; het voorkomen of beperken van gevaar, schade of overlast/hinder; het veilig en doelmatig gebruik van de openbare gronden; het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare gronden; de bescherming van het uiterlijk ten aanzien van de omgeving; archeologische bevindingen; de bescherming van groenvoorzieningen; de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer; evenementen. 2.. Daarnaast kan het college aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden in verband met de navolgende omstandigheden: het verschaffen van nadere informatie; de afstemming met andere werken; de verzekering van de toestand waarin het tracé na voltooiing van het werk moet worden opgeleverd; de bepaling van het tijdstip waarop de feitelijke werkzaamheden aan de kabel of leiding mogen of moeten beginnen; de vaststelling van het in te dienen werkplan en de termijn waarbinnen het plan moet zijn ingediend; het tijdschema voor de aanleg, wijziging of verwijdering van de kabel of leiding; de voorwaarden waaronder afwijking van het werkplan of het tijdschema is toegestaan; het tracé waar de kabel of leiding moet worden gelegd en gehouden. 3.. Het college kan aan de vergunning nadere regels stellen en daaraan voorschriften en beperkingen verbinden omtrent de plaats en de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels of leidingen, het bevorderen van medegebruik van voorzieningen, een zekerheidsstelling verbinden voor de nakoming van verplichtingen en het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van overige in de grond aanwezige werken, alsook over de afmetingen van toebehoren, behorende bij een netwerk.

Rechtspraak bij dit artikel