Het uitgangspunt is, dat een uitkering wordt teruggevorderd als deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt. Bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd als deze onjuist is besteed. Op het uitgangspunt zijn uitzonderingen denkbaar. Hieronder staan de uitzonderingen beschreven.
Voordat een terugvorderingsbesluit wordt genomen, wordt onderzocht of er aanleiding is om helemaal of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De inwoner wordt, indien nodig, in de gelegenheid gesteld informatie te geven die daarvoor van belang kan zijn.
Bij het nemen van een terugvorderingsbesluit wordt in ieder geval rekening met de volgende factoren:
de persoonlijke situatie van de inwoner;
de financiële situatie;
de werksituatie; en
de kans op een hoger inkomen.
De inwoner moet over deze factoren informatie geven, anders kan er geen rekening mee gehouden worden.
Uitzondering 1: het college speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van de vordering
Het is mogelijk dat het college voor een deel schuld heeft aan het ontstaan van de vordering, bijvoorbeeld door het geven van verkeerde informatie aan de inwoner. Is daarvan sprake, dan wordt gedeeltelijk afgezien van terugvordering. De terugvordering wordt dan beperkt tot:
75% van de vordering, als de rol van het college bij het ontstaan van de vordering kleiner is dan de rol van de inwoner;
50% van de vordering, als de rol van het college bij het ontstaan van de vordering vergelijkbaar is met die van de inwoner;
25% van de vordering, als de rol van het college bij het ontstaan van de vordering groter is dan de rol van de inwoner.
Uitzondering 2: het college reageert te laat op een signaal van de inwoner
Als een concreet signaal van de inwoner wordt ontvangen waaruit afgeleid kan worden dat de uitkering verlaagd of beëindigd moet worden, dan is het college verplicht om de uitkering op korte termijn aan te passen. Als de uitkering niet binnen zes maanden na het signaal wordt aangepast, dan wordt de uitkering die vanaf dat moment wordt verstrekt, niet teruggevorderd.
Met een signaal wordt bedoeld: informatie van de inwoner waaruit kan worden afgeleid dat een fout is gemaakt bij het verstrekken van een uitkering en actie moet ondernomen om de uitkering te wijzigen of te beëindigen.
Uitzondering 3: de vordering kan niet meer in hetzelfde jaar worden terugbetaald
Over de uitkering moet loonbelasting en premies volksverzekeringen worden betaald aan de Belastingdienst. Het college kan die belasting en premies verrekenen met de Belastingdienst als het kalenderjaar nog niet afgelopen is.
Als de uitkering teruggevorderd wordt in het volgende kalenderjaar, moet de inwoner de afgedragen belasting en premies ook terugbetalen. Dat heet bruteren van de vordering. Als het kalenderjaar voorbij is wordt altijd gebruteerd, tenzij:
een vordering is ontstaan mede of geheel door toedoen van het college en
de inwoner niet kan worden verweten dat de vordering niet is voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan.
Uitzondering 4: kleine vorderingen
Het terugvorderen van kleine bedragen kost naar verhouding veel tijd en is niet altijd efficiënt. Daarom wordt eenmaal per twaalf maanden afgezien van terugvordering als de vordering minder is dan € 50,00 en deze niet het gevolg zijn van het schenden van de inlichtingenplicht.
Als het college een uitkering of bedrijfskapitaal heeft teruggevorderd en de inwoner heeft inmiddels zo ver afgelost dat een vordering overblijft minder dan € 50,00, dan wordt afgezien van verdere terugvordering als de inwoner na herhaald verzoek niet aan zijn betalingsverplichting voldoet.
Onder herhaald verzoek verstaan we de herinneringsbrief na het oorspronkelijke verzoek
Uitzondering 5: onaanvaardbare gevolgen
Terugvordering kan onaanvaardbare gevolgen voor de inwoner hebben, als alle omstandigheden daarbij betrokken worden. Is daarvan sprake dan wordt helemaal of gedeeltelijk afgezien van (verdere) terugvordering.
Dat vraagt om een individuele benadering en een zorgvuldige afweging die per situatie anders kan uitpakken. Factoren die daarbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld het effect van terugvordering op:
de werksituatie van de inwoner;
de gezinssituatie, waaronder de opvoeding van kinderen;
de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner;
de financiële toekomstverwachting.
Uitzondering 6: lange tijd (niet) voldoen aan betalingsverplichtingen
Het college wil inwoners stimuleren om een vordering af te lossen. Maar ook voorkomen dat een vordering jarenlang open blijft staan, zonder dat er een reële kans is dat die vordering ooit wordt afgelost. Daarom wordt afgezien van verdere terugvordering van een uitkering als de inwoner in een onafgebroken periode van:
120 maanden, binnen een periode van 132 maanden, zijn betalingsverplichtingen is nagekomen; of
120 maanden, binnen een periode van 132 maanden, zijn betalingsverplichtingen niet helemaal is nagekomen en die alsnog het achterstallige bedrag over die tien jaar voldoet;
36 maanden, binnen een periode van 42 maanden, zijn betalingsverplichtingen is nagekomen en de vordering niet het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht.
Het college past deze uitzondering niet toe als het gaat om:
vorderingen die door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt;
vorderingen waarbij de verstrekking heeft plaatsgevonden als bedrijfskapitaal op grond van de Bbz;
vorderingen ontstaan uit bijzondere bijstand;
vorderingen, die een bestuurlijke boete betreffen.
Als de vordering niet volledig op de betreffende bezittingen verhaald kan worden, dus als verkoop van de bezittingen niet voldoende geld oplevert om de volledige vordering te incasseren, kan de overblijvende vordering wel onder deze uitzondering vallen.
Het college ziet alleen af van verdere terugvordering als zij dat uit eigen beweging besluit.
Uitzondering 7: kwijtschelding bij een schuldregeling
De inwoner met problematische schulden kan in bepaalde gevallen in aanmerking komen voor een schuldregeling. We maken onderscheid voor het geven van medewerking onderscheid tussen twee soorten schuldregelingen, namelijk:
Een schuldregeling dat ingezet wordt door het college op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Een overige schuldregeling.
Voor kwijtschelding bij een schuldregeling dat ingezet wordt door het college op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geldt dat het college medewerking verleent als de Participatiewet dit toestaat.
Op basis van de Participatiewet kunnen gemeenten ook medewerking verlenen aan schuldregelingen bij vorderingen ontstaan door schending van de inlichtingenplicht. Maar alleen als er sprake is van een verminderde verwijtbaarheid (boete 25%) of normale verwijtbaarheid (boete 50%). Als er sprake is van opzet of grove schuld mag de gemeente geen medewerking verlenen.
Voor overige schuldregelingen geldt dat het college medewerking verleent tenzij:
de vordering te maken heeft met bijstand die in de vorm van een lening is verstrekt omdat de inwoner zich te weinig bewust is geweest van zijn eigen verantwoordelijkheid om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien (art. 48, eerste lid, onderdeel b Participatiewet); of
de vordering volledig wordt gedekt door pand of hypotheek; of
de vordering naar verwachting betaald kan worden met geld of bezittingen waarop de inwoner recht heeft, maar waarover hij nog niet kan beschikken, zoals een aandeel uit een erfenis of een uitkering uit een levensverzekering; of
de vordering het gevolg is van verkeerde informatie die opzettelijk door de inwoner is gegeven of waaraan de inwoner opzet of grove schuld heeft.
Het college kan het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling intrekken als:
er binnen twaalf maanden nadat dat besluit is genomen geen schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen die hierboven zijn genoemd;
de inwoner de verplichtingen aan de schuldregeling weigert na te komen en het college daar al eerder op gewezen heeft; of als de inwoner verkeerde informatie heeft gegeven en het college niet meegewerkt zou hebben als de inwoner op tijd de juiste informatie had gegeven.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3
Uitzonderingen.
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering van bijstand, bedrijfskapitaal, een IOAW- en een IOAZ-uitkering Assen 2025