Naar hoofdinhoud
1.. De raad stelt bij de aanvang van de nieuwe raadsperiode een indeling in programma’s vast. 2.. De raad stelt jaarlijks op voorstel van het college per programma de begrote baten en lasten vast. 3.. De raad stelt jaarlijks op voorstel van het college per programma de wettelijk voorgeschreven taakvelden vast. 4.. De raad stelt jaarlijks per taakveld vast: de beoogde beleidsdoelen, inclusief de maatschappelijke effecten; de te leveren prestaties. 5.. De raad kan per programma indicatoren vaststellen met betrekking tot de beoogde beleidsdoelen en/of maatschappelijke effecten en/of de te leveren prestaties. Hierbij worden in ieder geval betrokken de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 6.. De onderverdeling van de in de begroting opgenomen programma’s en taakvelden staat voor de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot wijzigen. Wijzigingen worden bij de begroting expliciet vermeld. 7.. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. 8.. Het in de begroting opgenomen financiële meerjarenperspectief, volgend op het eerste begrotingsjaar, heeft een voorlopige status. 9.. In de begroting wordt een prognose voor de komende vier jaar van de gemeentelijke balanspositie weergegeven. 10.. Budgetten en investeringskredieten waarover nog aanvullende raadsbesluiten genomen moeten worden, maar die al wel zijn gehonoreerd bij eerdere kadernota of begroting, worden opgenomen op de stelpost meerjarenbegroting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel