Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.1

De gewijzigde praktijk van gronduitgifte

Onderdeel van Nota Grondbeleid Uithoorn 2025 – 2029

Bij gronduitgifte is de gemeente gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Op 26 november 2021 wees de Hoge Raad het zogenaamde Didam-arrest, waarin werd geoordeeld dat overheidslichamen bij gronduitgifte in beginsel gelegenheid moeten bieden tot mededinging. Op basis van deze uitspraak kunnen overheden niet langer onroerende zaken exclusief aan één partij aanbieden zonder dit vooraf kenbaar te maken en andere geïnteresseerde partijen de mogelijkheid te bieden mee te dingen. Deze hoofdregel houdt in dat overheden de koper moeten selecteren aan de hand van objectieve, toetsbare en redelijke criteria, zodat op basis van het gelijkheidsbeginsel gelijke kansen worden geboden. Het gelijkheidsbeginsel vereist ook dat de overheid een passende mate van openbaarheid geeft met betrekking tot: De beschikbaarheid van de onroerende zaak, De selectieprocedure, Het tijdschema, De toe te passen selectiecriteria. De gemeente moet hierover tijdig, voorafgaand aan de selectieprocedure, informatie verschaffen op een zodanige wijze dat potentiële gegadigden daarvan kennis kunnen nemen. In het arrest is een duidelijke uitzondering op de hoofdregel geformuleerd. De gemeente mag afzien van een selectieprocedure als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval is er geen strijd met het gelijkheidsbeginsel en is één-op-één verkoop wel toegestaan. Dan geldt wel de verplichting om het voornemen tot verkoop vooraf bekend te maken en te motiveren waarom er naar oordeel van de gemeente slechts één gegadigde in aanmerking komt. De uitspraken van lagere rechters en het Hof die sinds het arrest van de Hoge Raad verschenen zijn, laten zien dat deze uitzondering vaak aan de orde is en, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, meestal ook in stand blijft. Uit vervolgjurisprudentie blijkt inmiddels dat het arrest ook van toepassing is op andere vormen van gronduitgifte, zoals erfpacht- en opstalrechten, huur, ruil, pacht en andere vastgoedgerelateerde overeenkomsten zoals publiek-private samenwerkingsovereenkomsten waarin dergelijke rechten worden vergeven. De gemeente moet zich bij iedere voorgenomen uitgifte van gemeentegrond afvragen of er redelijkerwijs meerdere gegadigden te verwachten zijn. Het Didam II-arrest heeft verduidelijkt dat schending van de Didam-regels niet leidt tot de nietigheid van de overeenkomst, maar wel kan resulteren in onrechtmatig handelen door de gemeente. Dit betekent dat de gemeente zorgvuldig moet motiveren waarom er slechts één serieuze gegadigde is en dit voornemen vooraf openbaar moet maken. De Hoge Raad heeft benadrukt dat deze regels ook gelden voor handelingen die plaatsvonden vóór het oorspronkelijke Didam-arrest.

Rechtspraak bij dit artikel