In de onderzoeksfase wordt onderzocht of men in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en welke voorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening is. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden en behoeften van de leerling en de zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer zelfstandigheid in het vervoer. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor een leerling wordt uitgegaan van hoe de leerling zo zelfstandig mogelijk naar en van zijn school kan reizen.
Het kan nodig zijn om in de onderzoeksfase met de ouder(s)/aanvrager in gesprek te gaan om:
-informatie te geven over de opties en de regels van leerlingenvervoer
-de aanvraag goed te kunnen beoordelen
-te onderzoeken wat de vervoersmogeljkheden van de leerlingen zijn.
Als dit mogelijk is, is het van meerwaarde om ook de leerling te betrekken bij het gesprek. Zo nodig kan,ook een deskundige betrokken worden bij het gesprek. Dit kan iemand met medische kennis zijn, zoals een orthopedagoog, iemand van de school, het samenwerkingsverband of anderszins. Ook ouders kunnen zich tijdens het gesprek laten bijstaan, bijvoorbeeld door een onafhankelijke cliëntondersteuner of een bij het gezin betrokken hulpverlener of deskundige.
In het onderzoek wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om de vervoersvoorziening af te stemmen op andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein worden verstrekt. Dit sluit
aan bij de verplichting uit bijvoorbeeld de Wmo 2015. Daarbij is in de toelichting aangegeven dat het college verplicht is om de problematiek van een betrokkene in het sociale domein (zorg, wonen,
welzijn, jeugdzorg, onderwijs, schulden etc.) in onderlinge samenhang in kaart te brengen en te bevorderen dat de dienstverlening in dat sociale domein zo goed mogelijk op elkaar wordt afgestemd
(Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 170). Om deze reden zou ook een bij de gemeente
werkzame collega uit het sociaal domein bij een gesprek aan kunnen sluiten, zoals een bij het gezin
betrokken (SKJ-geregistreerde) jeugdconsulent.
Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling kan en wil. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de gestelde criteria
(beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt
vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.
Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.
Vierde lid
Het college kan bij leerlingen vanaf 9 jaar, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voorstellen dat past bij het ontwikkelingsperspectief van de school en de daarin gestelde doelen. Dit persoonlijk vervoersontwikkelingsplan betreft een stappenplan in het verkrijgen van meer zelfredzaamheid en zelfstandigheid in het vervoer en sluit aan op het ontwikkelingsperspectief dat school in overleg met ouders heeft vastgesteld. Het college werkt in nader regels uit hoe dit vorm krijgt.
Hoofdstuk 2.
Artikel 3.
Onderzoek
Onderdeel van Verordening leerlingenvervoer Maastricht-Heuvelland 2025, gemeente Valkenburg aan de Geul