Eerste lid
Deze bepaling geeft invulling aan de op grond van artikel 4, achtste lid, van de Wpo en artikel 4, zevende lid, van de Wec bestaande mogelijkheid om in de verordening te bepalen dat er geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van de afstand. De afstand van 6
kilometer sluit aan bij de in artikel 4, zevende lid, van de Wpo opgenomen bovengrens van 6
kilometer. De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school moet per route,
zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald.
Leerlingen die voortgezet onderwijs volgen en geen handicap hebben, komen al niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Voor hen is deze bepaling dan ook niet van toepassing.
Dit lid is niet van toepassing indien het leerlingenvervoer van leerlingen met een handicap betreft.
Tweede lid
Voor het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs zijn de ouders of de leerling, ongeacht
de afstand, zelf verantwoordelijk. Voor het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 4, vierde lid, van de
Wec) en het regulier voortgezet onderwijs (artikel 8.28, van de Wvo 2020) geldt, dat gehandicapte leerlingen slechts recht hebben op een vervoersvoorziening als zij door een lichamelijke,
verstandelijke of zintuiglijke handicap voor hun schoolbezoek:
a)niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of
b) zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer.
Deze leerlingen komen daarmee alleen in aanmerking voor leerlingenvervoer als zij gezien hun handicap niet in staat zijn om zelfstandig naar school te komen (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 3, p.36).
Om te kunnen beoordelen of een leerling door zijn handicap beperkt is om zelfstandig te reizen, is in
een aantal gevallen onafhankelijk advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken. Het kan ook gaan over een deelaspect van het vervoer, bijvoorbeeld over de vraag of een bepaalde route door de betreffende leerling veilig kan worden afgelegd.