3.1 Huisvesting in verband met pré-mantelzorg
De pré-mantelzorgwoning mag door maximaal twee personen bewoond worden die in de toekomst mantelzorg nodig hebben of mantelzorg gaan verlenen.
Er is een sociale relatie tussen de bewoner(s) van de pré-mantelzorgwoning en de hoofdwoning op het perceel.
Er is geen medische indicatie vereist vanaf het bereiken van de AOW leeftijd.
Een medische indicatie is vereist indien er sprake is van een voortschrijdende aandoening die op termijn tot mantelzorgbehoefte kan leiden en nog niet de AOW leeftijd bereikt is of als het gaat om een jongere met een beperking.
De bewoners worden op het (tijdelijke) adres van de pré-mantelzorgwoning ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP).
Er is een schriftelijke verklaring vereist van de toekomstige zorgverleners dat mantelzorg wordt verleend zodra en zolang dat nodig is.
3.2 Gebouw
De pré-mantelzorgwoning wordt gerealiseerd als zelfstandige wooneenheid binnen de bestaande bebouwing, nieuw op te richten bebouwing of in een woonunit.
Het moet om een nultreden-woning gaan tenzij de mantelzorgontvanger woonachtig is in de hoofdwoning. In dat geval dient aangetoond te worden dat de hoofdwoning een nul-treden woning is of wordt.
Een pré-mantelzorgwoning dient te voldoen aan de bepalingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Maximale oppervlakte pré-mantelzorgwoning: een pré-mantelzorgwoning mag maximaal 100 m² bedragen met dien verstande dat bij permanente bebouwing de maximale oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals opgenomen in het omgevingsplan niet overschreden mag worden.
De maximale afstand tussen hoofdwoning en pré-mantelzorgwoning bedraagt: 30 meter.
De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 3,50 meter en 5 meter (indien niet in bestaande bebouwing gerealiseerd), conform wijze van meten volgens het ter plaatse geldende omgevingsplan
De pré-mantelzorgwoning moet worden gebouwd op het perceel / de percelen van de bestaande hoofdwoning van de toekomstige zorgverlener of toekomstige zorgontvanger bij voorkeur binnen de functie ‘Wonen’ of ‘Tuin’. Het realiseren van een pré-mantelzorgwoning binnen een andere functie is alleen mogelijk als aangetoond is dat het realiseren van een pré-mantelzorgwoning niet mogelijk is binnen de functies ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Het realiseren van een pré-mantelzorgwoning binnen de functies ‘Natuur’ en ‘Bos’ is niet toegestaan.
Per hoofdwoning mag maximaal één pré-mantelzorgwoning of mantelzorgwoning gerealiseerd worden.
De pré-mantelzorgwoning wordt gebouwd op minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn van de bestaande hoofdwoning en op een afstand van de perceelsgrens (zijdelingse en achter) van tenminste 1 meter of bij ramen aan de zijde van de perceelsgrenzen minimaal 2 meter. Bij hoekpercelen of anderzijds bijzondere situaties kan per casus maatwerk geleverd worden. De afwijking en het besluit omgevingsvergunning dienen hierbij voldoende gemotiveerd te zijn.
Er mogen geen milieubelemmeringen aanwezig zijn ten aanzien van het plaatsen van de pré-mantelzorgwoning, alsook ten aanzien van de situering hiervan. Ook de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven mag niet worden beperkt.
Het gebruik van de pré-mantelzorgwoning mag niet leiden tot overlast voor de openbare veiligheid, de openbare gezondheid, het woonmilieu, onevenredige afbreuk doen aan het (woon)karakter van de wijk of buurt en/of onevenredig afbreuk doen aan erfgoedwaarden, waardoor geen sprake is van een veilige fysieke leefomgeving en/of evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Parkeren moet plaatsvinden op eigen terrein voor wat betreft de toegenomen parkeerbehoefte door het plaatsen van de pré-mantelzorgwoning, tenzij aangetoond kan worden dat het niet tot een toename leidt.
Hemelwater van het bouwoppervlak van een nieuw te bouwen pré-mantelzorgwoning en nieuwe verharding worden op eigen terrein geïnfiltreerd.
Het betreft hier geen reguliere woningsplitsing of andersoortige toevoeging van een zelfstandige woonruimte. Daarvoor gelden andere regels en voorwaarden.
3.3 Omgevingsdialoog
Aanvrager is verplicht met de buurt een omgevingsdialoog op grond van de Omgevingswet te voeren. Dit betekent dat de aanvrager de buurt moet informeren over het plan zodat de buurt kan aangeven wat ze van het plan vinden en of ze nog wensen, tips of bezwaren hebben.
De omgevingsvergunningsaanvraag moet een verslag bevatten met daarin de resultaten van de omgevingsdialoog.