Naar hoofdinhoud
1.. Als niet binnen 1 jaar respectievelijk 1,5 jaar na het onherroepelijk worden van een verleende omgevingsvergunning een aanvang is genomen met de activiteit wordt aan de vergunninghouder een voornemen tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning bekendgemaakt. 2.. Als de onherroepelijk vergunde bouwwerkzaamheden gedurende 1 jaar stilliggen, wordt aan de vergunninghouder een voornemen tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning bekendgemaakt. 3.. Voordat een omgevingsvergunning voor de betreffende activiteit wordt ingetrokken, krijgt de vergunninghouder de gelegenheid om binnen een redelijke termijn een zienswijze naar voren te brengen (conform artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht). In deze zienswijze dient de vergunninghouder gemotiveerd aan te tonen dat, en op welke wijze, uitvoering wordt gegeven aan de vergunning en welk belang hij of zij heeft bij het in stand houden van de vergunning. De redelijke termijn hiervoor is bepaald op 2 weken. 4.. Indien de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure, wordt het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning voorbereid met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 16.5.2 Ow. 5.. Indien de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure, wordt het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning voorbereid met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 16.5.3 Ow.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel