**1..** Elke deelnemer heeft het recht tot uittreding. Hieraan dient een daartoe strekkend besluit van het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 1 van de wet ten grondslag te liggen.
**2..** Het college dat uittreedt, zendt het besluit toe aan het algemeen bestuur.
**3..** De uittreding kan slechts plaatsvinden tegen 1 januari, doch niet eerder dan tegen 1 januari van het tweede jaar volgende op dat waarin het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen.
**4..** Als uitgangspunt geldt dat de uittredende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekst gevolg zijn van de uittreding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de uittreding ondervinden. Alle deelnemers spannen zich in om de kosten van uittreding zo laag mogelijk te houden.
**5..** Het algemeen bestuur inventariseert na overleg met de deelnemers de gevolgen van uittreding in een uitredingsplan. Daarin worden de juridische, organisatorische, personele en financiële gevolgen vermeldt. In het uitredingsplan komen in ieder geval, maar niet uitsluitend, de volgende aspecten van die gevolgen aan de orde:
overname door deelnemers van geactiveerde goederen dan wel vergoeding wegens niet overnemen;
overname van contractuele verplichtingen jegens leveranciers, dan wel vergoeding wegens niet overname;
overname door deelnemers van personeelsleden, dan wel vergoeding wegens niet overname, en
eventuele nadelige financiële gevolgen in verband met omzetbelastingen/of vennootschapsbelasting.
nadelige financiële gevolgen door beëindiging of wijziging van samenwerkingen met andere partijen dan de deelnemers.
**6..** De financiële gevolgen worden gebaseerd op de meest recente en vastgestelde jaarrekening van dat moment.
**7..** De financiële gevolgen zullen worden bepaald door het algemeen bestuur, na controle door een gezamenlijk te benoemen registeraccountant. De kosten van de benoemde registeraccountant komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
**8..** Uiterlijk negen maanden na het moment van het besluit van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Voordat de definitieve uittreedsom wordt vastgesteld, wordt de uittredende deelnemer in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze binnen tien weken na toezending ervan naar voren te brengen. Met de vaststelling zijn de daarin omschreven verplichtingen bindend.
**9..** Tenzij het algemeen bestuur en de uittredende deelnemers anders overeenkomen, betaalt de deelnemende gemeente van het uittredende college de uittreedsom in drie jaren, volgens de volgende verdeling:
In het eerste jaar 70% van de uittreedsom;
In het tweede jaar 20% van de uittreedsom;
In het derde jaar 10% van de uittreedsom.
Indien de uittredende deelnemer eerder dan drie jaren uittreedt, wordt een risico-opslag van 10% toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uitreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige kosten.
HOOFDSTUK XV
Artikel 52.
Artikel 52.
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling de Waddeneilanden 2024