Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.1

Pijler 1: Voorkomen

Onderdeel van Regionaal Beleidsplan ‘Drenthe tegen mensenhandel’

Een belangrijk streven is dat mensenhandel zo veel mogelijk voorkomen wordt. Daarom is preventie en voorlichting geven belangrijk. De Drentse gemeenten zetten zich de komende periode in op het geven van (terugkerende) trainingen, met als oogmerk het bevorderen van het herkennen van signalen van mensenhandel. Het is de bedoeling om zo meer signalen van mensenhandel boven tafel te krijgen. Mensenhandel is immers een haaldelict, slachtoffers kunnen of durven zelf vaak geen aangifte te doen en opsporingsinstanties zoals de politie moeten actief op zoek naar de slachtoffers. De opsporingsinstanties zijn er zeer bij gebaat als samenwerkingspartners actief signaleren op tekenen van mensenhandel en dat iedere partner haar bevoegdheden gebruikt. Signalering is een belangrijke stap naar slachtoffers uit hun uitbuitingssituatie halen. De gemeente is hierin een onmisbare partner met haar vele oren en ogen en contacten met inwoners. De trainingen worden gegeven aan de eigen organisatie en aan relevante partners (zoals GGD, welzijnsorganisaties, woningbouwverenigingen, scholen, asielzoekerscentra en uitzendbureaus). Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het aanbod van het ZVHD en het RIEC (zoals het programma Jonge Aanwas, waarbij de doelstelling is het in brede zin weerbaar maken van de samenleving tegen drugscriminaliteit, waarbij de focus ligt op het weerbaar maken van jongeren zodat wordt voorkomen dat zij afglijden naar de (ondermijnende) criminaliteit). Via Veilig Thuis en het programma Toekomstscenario jeugd en gezinsbescherming wordt aansluiting gezocht bij diverse zorgpartners in het sociale domein. Door verbinding te zoeken en het vergroten van expertise van deze medewerkers in o.a. het nog nader te ontwikkelen expertiseteamcentrum kan ook binnen het sociale domein worden aangehaakt op de aanpak. Naast het geven van trainingen gaan de Drentse gemeenten onderzoek doen naar de haalbaarheid om de Wet goed verhuurderschap te implementeren in hun eigen gemeente. Hierbij is de bijbehorende vergunningplicht ‘verhuur van verblijfsruimten aan arbeidsmigranten’ relevant. Met deze vergunningplicht worden pandeigenaren verplicht om een vergunning aan te vragen als zij het pand willen gebruiken voor het huisvesten van arbeidsmigranten. Bij de vergunningaanvraag vindt er dan een Bibob-toets plaats. Een voorwaarde voor het instellen van deze vergunningplicht is het invoeren van een verhuurverordening, waaraan een aantal voorwaarden verbonden aan zit. Ook zullen de Drentse gemeenten onderzoeken wat zij kunnen doen in het kader van huisvesten van arbeidsmigranten als er een groot bedrijf met veel vraag naar arbeidsmigranten in de gemeente vestigt. Tot slot zijn de Drentse gemeenten aangesloten bij de Drentse Aanpak Ondermijning. In deze aanpak is onder andere de ambitie opgenomen dat de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) ondermijningsproof gemaakt wordt en zijn er ambities opgesteld in het kader van de Wet Bibob.12Het gaat om onder meer de volgende ambities: Gemeenten beschikken over een Algemene plaatselijke verordening die ondermijningsproof is gemaakt; De partijen beschikken over een actueel Bibob-beleid; Binnen het gemeentelijk Bibob beleid zijn de toepassingsgebieden benoemd waar het risico op ondermijning relatief hoog is. De Wet Bibob wordt in ieder geval toegepast bij: Alcoholwetvergunning, Exploitatievergunning voor openbare inrichtingen, Exploitatievergunning coffeeshops en Exploitatievergunning prostitutie/ escort/seksinrichtingen, Omgevingsvergunningen voor de bouwactiviteit en voor de milieubelastende activiteit. Bij de overige toepassingsgebieden bepalen de gemeenten of zij de Wet Bibob toepassen (kanbepaling). Dit is ook van belang voor de aanpak van mensenhandel, omdat een vergunningplicht in het kader van prostitutie en huisvesting van arbeidsmigranten bij kan dragen aan het voorkomen van mensenhandel.

Rechtspraak bij dit artikel