Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 11.

Aflossing, aanvang, duur en rente van geldlening onder verband van hypothecaire zekerheid of verpanding

Onderdeel van Beleidsregels hypothecaire zekerheid inzake het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004) gemeente Schagen

1.. Het college hanteert als regel dat het bedrijfskrediet onder verband van hypothecaire zekerheid ineens opeisbaar wordt en de aflossing ineens aanvangt op het moment: van verkoop van bedrijfspand; dat belanghebbende overgaat tot verkoop bedrijfspand, aankoop nieuw bedrijfspand, verhuizing of wijziging van (deel van de) bedrijfsactiviteiten, wijziging van de rechtsvorm van de onderneming, wijzigingen aan het bedrijfspand, welke van invloed zijn op waarde pand, en aan belanghebbende voor vermelde wijzigingen geen voorafgaande toestemming door Het college is verleend; van overlijden van de belanghebbende; van vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot; dat belanghebbende in staat van faillissement komt te verkeren of de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van toepassing wordt verklaard op belanghebbende; dat belanghebbende over een vermogen gaat beschikken dat hoger is dan het bescheiden vrij te laten vermogen overeenkomstig artikel 34, derde lid Pw. 2.. De aflossing vindt in maandelijkse termijnen plaats indien afbetaling ineens financieel gezien niet mogelijk is. In dat geval: vindt de aflossing gedurende ten hoogste 30 jaar plaats; en wordt het maandbedrag van de aflossing telkens voor een periode van 1 jaar vastgesteld; en kan het maandbedrag tussentijds worden verhoogd of verlaagd indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. 3.. Het niet afgeloste deel van de geldlening wordt terstond ineens opeisbaar als belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van 30 jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing. 4.. Ingeval er sprake is van een situatie zoals bedoeld in voorgaand lid dan wordt van de aflossingsduur van ten hoogste 30 jaar afgeweken in die zin dat deze termijn verlengd wordt met de duur van de periode waarin de belanghebbende alsnog het totaal van de aflossingen verricht, die hij had moeten betalen als ware hij niet nalatig geweest. Met ingang van het verstrijken van die 30 jaar wordt de wettelijke rente bij belanghebbende in rekening gebracht over het totaal van de nog openstaande geldlening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel